Libellen in de Waard

Update tot en met seizoen 2011
Auteur: Anthonie Stip Foto's Anthonie Stip en Richard Slagboom

WEIDEBEEKJUFFER (Calopteryx splendens)


Beschrijving: De weidebeekjuffer is een prachtige libel. Mannetjes hebben een geheel blauw lijf, en over de vleugels lopen blauwe banden. Vrouwtjes zijn onopvallender gekleurd, en hebben een metaalgroen lijf. De vleugels missen de blauwe band, maar hebben wel een groenige waas over zich. Vanwege de diepblauwe kleuren is de soort geliefd bij het publiek.
Verspreiding: In de Alblasserwaard is de weidebeekjuffer zeldzaam. Het is een soort van zuurstofrijk en bij voorkeur snelstromend water. De weidebeekjuffer geeft de voorkeur aan zonnige plaatsen, maar wordt ook wel op deels beschaduwde plaatsen gezien. De soort wordt soms langs de grote rivieren gezien. In 2010 en 2011 zijn er waarnemingen gedaan van een zwervend exemplaar in het Alblasserbos Papendrecht en de eendenkooi in polder Oud-Alblas. Vanwege landelijke toename is de soort vaker te verwachten.
Beste tijd om te zien: De weidebeekjuffer vliegt van mei tot september.

 
GEWONE PANTSERJUFFER (Lestes sponsa)


Beschrijving: Metaalgroen gekleurde juffer, maar op eerste gezicht lastig te onderscheiden van andere pantserjuffers. Uitgekleurde exemplaren hebben donkere pterostigma’s op de vleugels en een donkere onderkop. Bij mannetjes is het tweede segment van het achterlijf geheel blauw berijpt, evenals segmenten negen en tien.
Verspreiding: In Nederland is de gewone pantserjuffer een redelijk algemene soort. In de Alblasserwaard is hij echter zeldzaam, met slechts drie waarnemingen. Wellicht wordt de soort zo nu en dan over het hoofd gezien. De gewone pantserjuffer komt voor bij stilstaande wateren (plasjes) met een rijke overvegetatie van riet, russen, biezen en grassen.
Beste tijd om te zien: De gewone pantserjuffer vliegt van half mei tot oktober en piekt in juli-augustus.


TENGERE PANTSERJUFFER (Lestes virens)

Beschrijving: Iets slankere pantserjuffer met metaalgroene kleur. Eenvoudig te onderscheiden van andere pantserjuffer door gele achterkop bij beide seksen. Het mannetje heeft alleen blauwe berijping op het tiende segment van het achterlijf (onderscheidend kenmerk!). Pterostigma meestal lichtbruin met wittige zijden.
Verspreiding: De tengere pantserjuffer is in ons land vrij algemeen in het oosten. In het westen is de soort zeldzaam. In de Alblasserwaard is de tengere pantserjuffer zeer zeldzaam. Er is slechts een waarneming bekend (2010). De soort komt voor in hoog- en laagveengebieden, aan ondiepe watertjes met overvloedige vegetatie van riet, russen en mossen.
Beste tijd om te zien: De tengere pantserjuffer vliegt met name in juli.



HOUTPANTSERJUFFER (Lestes viridis)

Beschrijving: Pantserjuffer met heldergroene kleuren en vrij langgerekt lichaam. Geen van beide seksen heeft blauwe berijping op het lijf. Heeft grote, crèmegekleurde pterostigma’s.
Verspreiding: De houtpantserjuffer is algemeen in Nederland. In de Alblasserwaard is de soort ook algemeen, en lokaal zeer algemeen. Komt veel voor in de Alblasserbossen en andere plaatsen met houtige gewassen. Wordt regelmatig ook in tuinen aangetroffen. Komt voor bij stilstaand of langzaam stromend water bij bomen of struiken. Is niet erg kieskeurig.
Beste tijd om te zien: De houtpantserjuffer vliegt vanaf eind juni tot diep in oktober, maar is het talrijkst van eind juli tot september.



BRUINE WINTERJUFFER (Sympecma fusca)


Beschrijving: Erg tengere, bruine juffer. Heeft een bleekbruin achterlijf met donkere tekening op kop, borststuk en achterlijf. Verwarring is alleen mogelijk met de veel zeldzamere noordse winterjuffer (S. paedisca). Bruine winterjuffer heeft een rechte band langs de donkere band op het borststuk. Dit in tegenstelling tot de noordse winterjuffer, die een uitstulping op de onderste rand van de zwarte streep op het borststuk heeft.
Verspreiding: De bruine winterjuffer is in Nederland vrij algemeen, maar wordt vaak over het hoofd gezien. In de Alblasserwaard is de soort zeldzaam. Er zijn enkele waarnemingen bekend, onder andere langs de Lek te Streefkerk en de Slingelandse plassen bij Goudriaan. De soort komt voor bij begroeide plaatsen langs stilstaand water, vaak bij rietvegetaties.
Beste tijd om te zien: De bruine winterjuffer kan het gehele jaar door gezien worden, maar de meeste activiteit is in de nazomer (augustus-september). Voortplanting van adulten is in april-mei.



AZUURWATERJUFFER (Coenagrion puella)


Beschrijving: De azuurwaterjuffer behoort tot de waterjuffers, en is dus een kleine libel. De soort is blauw met zwart of groen met zwart gekleurd. Meest kenmerkend is de zwarte U op het tweede segment en de ononderbroken antehumerale streep (op het borststuk). Het laatste kenmerk is onderscheidend van de variabele waterjuffer (C. pulchellum).
Verspreiding: De azuurwaterjuffer is in tegenstelling tot de rest van Nederland in de Alblasserwaard zeldzaam. De soort komt met name voor bij stilstaande wateren met drijvende watervegetatie. De meeste kans op azuurwaterjuffer maakt men in de Avelingen bij Gorinchem en het Alblasserbos Papendrecht.
Beste tijd om te zien: De azuurwaterjuffer vliegt van mei tot eind september.



VARIABELE WATERJUFFER (Coenagrion pulchellum)

Beschrijving: De variabele waterjuffer is zoals de naam al zegt best variabel, en er komen in Europa veel variaties voor, meest bij de vrouwtjes. Het is een slanke, meest blauwgekleurde juffer. Het beste kenmerk van een mannetje is de onderbroken antehumerale streep in de vorm van een uitroepteken. De zwarte tekening op het tweede segment van het achterlijf is in de vorm van een Y.
Verspreiding: De variabele waterjuffer is algemeen in de Alblasserwaard. De soort komt voor bij stilstaand en zwakstromend water, bij voorkeur op plaatsen met veel vegetatie langs en in het water. Lokaal is de soort zeer algemeen en kunnen honderden exemplaren bij elkaar gezien worden.
Beste tijd om te zien: De variabele waterjuffer vliegt vanaf eind april tot begin september.



WATERSNUFFEL (Enallagma cyathigerum)


Beschrijving: Een blauw en zwartgekleurde juffer, die wat lijkt op de variabele waterjuffer en azuurwaterjuffer. Kenmerken van de watersnuffel zijn de brede antehumerale streep (veel breder dan bij andere juffers) en een egaal gekleurde borststukzijde, zonder duidelijke zwarte strepen. Mannetjes hebben verder een zwarte paddenstoel op het tweede segment van het achterlijf, en vrouwtjes hebben op het derde tot zevende segment een zwarte torpedovormige structuur.
Verspreiding: In Nederland is de watersnuffel zeer algemeen. In de Alblasserwaard daarentegen is de soort schaars tot vrij zeldzaam, en zijn er slechts enkele bekende populaties. Een daarvan is de Avelingen. De verspreiding in de gehele Alblasserwaard is echter onvoldoende bekend. De soort komt voor bij alle typen wateren met vegetatie.
Beste tijd om te zien: De watersnuffel vliegt van eind april tot eind september.


LANTAARNTJE (Ischnura elegans)


Beschrijving: Het lantaarntje is een juffer met een achterlijf dat van boven zwart en van onderen variabel van kleur is. Meest kenmerkend is het vaak blauw gekleurde achtste segment van het achterlijf (het ‘achterlicht’). Daaraan heeft de soort de naam te danken. Dit deel kan bij niet uitgekleurde exemplaren ook geelgroen, paars of roodachtig zijn. De soort kent behoorlijk wat variatie.
Verspreiding: Het lantaarntje is een van de meest algemene libellen van Nederland. Ook in de Alblasserwaard is de soort zeer algemeen. Het lantaarntje komt voor langs stromende wateren maar is het meest algemeen bij stilstaande wateren waar ook oevervegetatie aanwezig is. Is ook in tuinen met vijvers aan te treffen. Komt nagenoeg in de gehele Alblasserwaard voor.
Beste tijd om te zien: Het lantaarntje vliegt van mei tot september.

 

TENGERE GRASJUFFER (Ischnura pumilio)


Beschrijving: De tengere grasjuffer is een van de kleinste libellensoorten van ons land. De soort is lastig te determineren en kan gemakkelijk verward worden met lantaarntje. Evenals bij het lantaarntje is de bovenkant van het achterlijf zwart, en de onderkant variabel gekleurd. Kenmerkend is het tweekleurige pterostigma (vleugelvlek) op de vleugels. Mannetjes hebben een blauw ‘achterlicht’ op het negende en een kwart van het achtste segment (let op: lantaarntje heeft een blauw ‘achterlicht’ op S8!). Vrouwtjes tengere grasjuffer hebben nooit een achterlicht. Verse vrouwtjes worden gekenmerkt door hun roodoranje kleur.
Verspreiding: De tengere grasjuffer is in Nederland zeldzaam en in de Alblasserwaard zeer zeldzaam. De tengere grasjuffer is een soort van pioniermilieus, en komt voor bij schaars begroeide stukjes langs recent gegraven plasjes. De soort is tweemaal waargenomen nabij  het Alblasserbos Papendrecht.
Beste tijd om te zien: De tengere grasjuffer vliegt bij in Nederland meest van juni tot augustus.

 

GROTE ROODOOGJUFFER (Erythromma najas)


Beschrijving: Iets grotere juffer, qua formaat een stukje groter dan het lantaarntje. Het achterlijf is donker, en het borststuk is zwart met blauw. Op het borststuk ontbreken de antehumerale strepen. Kenmerkend zijn de rode ogen bij uitgekleurde imago’s. De poten zijn zwart, en dat is een onderscheidend kenmerk met de kleine roodoogjuffer (E. viridulum).
Verspreiding: De grote roodoogjuffer is een talrijke waterjuffer in ons land. In de Alblasserwaard is de soort algemeen en redelijk verspreid aanwezig. De soort komt voor bij stilstaande wateren met veel water- en oevervegetatie.
Beste tijd om te zien: De grote roodoogjuffer vliegt van mei tot augustus, en piekt in juni.


KLEINE ROODOOGJUFFER(Erythromma viridulum)

Beschrijving: Slanke variant van de grote roodoogjuffer. Heeft in tegenstelling tot de grote roodoogjuffer wel antehumerale strepen op het borststuk. Mannetjes hebben een X-teken op het tiende segment van het achterlijf. De onderkant van de poten is meestal licht.
Verspreiding: De kleine roodoogjuffer is algemeen in Nederland, maar schaars in de Alblasserwaard. De soort komt voor bij voedselrijke, stilstaande wateren met overvloedige watervegetatie. De soort is kenmerkend voor wateren met algenmatten (‘flab’). De Avelingen en het Alblasserbos Papendrecht zijn kansrijke locaties om de soort waar te nemen.
Beste tijd om te zien: De kleine roodoogjuffer vliegt in Nederland van juli-augustus.


VUURJUFFER (Pyrrhosoma nymphula)


Beschrijving: Juffer met overwegend rood achterlijf, met enkele zwarte segmenten. Vrouwtjes hebben een variabele hoeveelheid rood. Ogen veelal rood. De antehumerale streep is rood en breed, bij verse imago’s is de antehumerale streep nog geel. Op het borststuk zitten gele zijden.
Verspreiding: De vuurjuffer is een van de eerste libellensoorten die in het voorjaar vliegt. Het wordt dan ook wel een lentebode genoemd. In Nederland is de soort algemeen. Omdat de soort het talrijkst is bij wateren met talrijke begroeiing, en dat habitat in de Alblasserwaard niet veel voorhanden is, is de vuurjuffer bij ons vrij zeldzaam tot schaars. 
Beste tijd om te zien: De vuurjuffer vliegt van april tot augustus. Wordt in de Alblasserwaard meestal in april/mei gezien.


BLAUWE BREEDSCHEENJUFFER (Platycnemis pennipes)


Beschrijving: Bleek ogende juffer, waarbij de mannetjes vaak lichtblauw met zwart en de vrouwtjes wit met zwarte tekening op het achterlijf hebben. Beide seksen hebben een dubbele antehumerale streep op het borststuk. Kenmerkend verschil met andere juffers is verder dat de zwarte tekening op de segmenten 7 tot en met 10 van het achterlijf niet wordt onderbroken door een ‘achterlicht’. Wel is er in de lengterichting een dunne streep waarneembaar. De mannetjes hebben een lichte achterscheen op de verder zwarte poten. De blauwe breedscheenjuffer staat bekend om de variatie in kleur, met name als het gaat om de hoeveelheid zwarte tekening.
Verspreiding: De blauwe breedscheenjuffer is in het oosten van Nederland vrij algemeen. In de Alblasserwaard is de soort zeer zeldzaam (een waarneming in 2003 in Sliedrecht). De soort komt voor bij stromend water op vloedvlaktes en rivier(arm)en, en ook bij kunstmatige wateren als kanalen en grindgaten.
Beste tijd om te zien: De blauwe breedscheenjuffer vliegt met name in juni-juli.


PAARDENBIJTER (Aeshna mixta)


Beschrijving: Behoort tot de kleinste glazenmakers. Heeft een kenmerkende tekening van blauw, bruin en geel. De gele ‘spijker’ op de achterlijfsbasis (net na de vleugels) is zeer kenmerkend. Kan verward worden met de glassnijder (Brachytron pratense), maar deze oogt steviger en vliegt bovendien veel vroeger in het seizoen (overlap in vliegtijd is echter mogelijk).
Verspreiding: De paardenbijter is zeer algemeen in Nederland, en komt voor bij langzaamstromende of stilstaande wateren met houtige vegetatie en riet. Ook in de Alblasserwaard zeer algemeen.
Beste tijd om te zien: De paardenbijter is een typische nazomerlibel, en komt voor van
augustus tot begin oktober. In een zacht najaar tot in november.


VROEGE GLAZENMAKER (Aeshna isoceles)

Beschrijving: Forse, oranjebruine libel met groene ogen. Kenmerkend is de gele driehoek op het tweede segment van het achterlijf en de twee gele banden op de zijkant van het borststuk.
Verspreiding: De vroege glazenmaker is in Nederland vrij algemeen, maar schaars in het noorden. In de Alblasserwaard is de vroege glazenmaker vrij algemeen, maar is de verspreiding in het midden van de Waard weinig bekend. Vanwege het beperkte verspreidingsgebied op wereldschaal is het belang van de Alblasserwaard voor de soort relatief groot. De vroege glazenmaker komt voor langs sloten, vijvers en andere wateren en in moerassen. Er moet veel vegetatie aanwezig zijn, en liefst ook wat riet of krabbenscheer.
Beste tijd om te zien: De vroege glazenmaker vliegt van mei tot augustus en is het talrijkst in juni.

BRUINE GLAZENMAKER (Aeshna grandis)


Beschrijving: Zwaargebouwde glazenmaker met donkerbruin gekleurd lijf. Heeft wel wat weg van een vliegende sigaar. Vleugels zijn bruin berijpt. Op de zijkant van het borststuk zijn twee duidelijk begrensde gele banden zichtbaar. De ogen zijn geelbruin met blauwe vlekken bij adulte mannetjes.
Verspreiding: In grote delen van Nederland is de bruine glazenmaker een vrij algemene verschijning. In de Alblasserwaard is de bruine glazenmaker schaars en plaatselijk vrij algemeen. Goede locaties zijn de Alblasserbossen, het Achterwaterschap, de Avelingen en uiterwaarden. De soort komt voor bij stilstaand water met rijke oevervegetatie en ondergedoken vegetatie. Ook aan de randen van bossen.
Beste tijd om te zien: De bruine glazenmaker vliegt vanaf juni tot begin oktober, maar wordt het meest gezien in juli en augustus.

 

BLAUWE GLAZENMAKER (Aeshna cyanea)

Beschrijving: Een grote bontgekleurde glazenmaker met een donker lijf. Heeft heldere groene ogen en felblauwe vlekken op het achterlijf. Vrouwtjes en verse exemplaren hebben (geel)groene vlekken. Bij de uitgekleurde mannetjes is het borststuk groen met dikke zwarte strepen.
Verspreiding: De blauwe glazenmaker is in Nederland een vrij algemene soort. Kenmerkend voor de soort is de typische jachtvlucht: de soort vliegt vaak solitair, laag boven de grond in beschaduwde delen en maakt dan onregelmatige buitelingen. De soort is te vinden bij beschaduwde en meestal stilstaande wateren, zoals poelen. In de Alblasserwaard is de blauwe glazenmaker schaars, maar lokaal vrij algemeen. Goede plekken zijn de Alblasserbossen, Slingelandse plassen en de uiterwaarden langs de Lek.
Beste tijd om te zien: De blauwe glazenmaker vliegt van begin juli tot eind september. De soort kan ook tot later in het jaar worden gezien.


GROTE KEIZERLIBEL (Anax imperator)


Beschrijving: Eén van de grootste libellen die in ons land voorkomt. De vrouwtjes van de grote keizerlibel hebben groene ogen. Zij hebben een groen achterlijf met een brede, donkerbruine lengtestreep. De (uitgekleurde) mannetjes hebben een blauw achterlijf met een zwarte middenstreep. Zij hebben meestal blauwe ogen.  Het borststuk is bij beide seksen egaal groen. Net uitgeslopen exemplaren hebben soms een wat gelig achterlijf.
Verspreiding: In Nederland is de grote keizerlibel een zeer algemene soort. Het is een soort van stilstaand tot langzaam stromende wateren. Het vrouwtje van de grote keizerlibel zet solitair haar eitjes af in drijvende vegetatie. De mannetjes patrouillerend langdurig boven het water en de oever. Daarbij houden zij hun achterlijf licht gebogen. Het mannetje duldt geen andere grote libellen in zijn omgeving. In de Alblasserwaard is de grote keizerlibel een algemeen voorkomende soort.
Beste tijd om te zien: De grote keizerlibel vliegt van eind mei tot augustus.


GLASSNIJDER(Brachytron pratense)


Beschrijving: Een qua formaat kleine glazenmaker, die verward kan worden met de blauwe glazenmaker (A. cyanea). Typerend voor de glassnijder is echter het behaarde voorkomen van de soort. De mannetjes hebben een zwart achterlijf met kleine blauwe vlekken, de vrouwtjes hebben gele vlekjes. Op het eerste segment van het achterlijf zit een centrale stip, die geel is bij de vrouwtjes en blauwgroen bij de mannetjes. Het borststuk van de mannetjes is groen met twee kenmerkende volledig zwarte lijnen.
Verspreiding: De glassnijder is in Nederland vrij algemeen. In de Alblasserwaard is de soort vrij schaars tot lokaal vrij algemeen. Goede gebieden zijn de Avelingen en de Slingelandse plassen, maar ook elders wordt de soort gezien. De glassnijder komt voor bij stilstaand water met veel oever- en watervegetatie. Vaak in laagveenmoerassen.
Beste tijd om te zien: De glassnijder is een vroege libellensoort, en vliegt van eind maart tot augustus, maar bij ons meestal tot begin juni.


PLASROMBOUT (Gomphus pulchellus)


Beschrijving: Tenger ogende rombout, die vaak een vale indruk maakt. Heeft lichtblauwe ogen. Kenmerkend verschil met andere romboutsoorten zijn de niet verbrede achterste segmenten van het achterlijf. Het borststuk is bleekgeel met zwarte tekening, en het achterlijf is geel met zwart getekend.
Verspreiding: De plasrombout is een zeldzame libellensoort in Nederland, maar heeft zich in de jaren ’90 van de vorige eeuw uitgebreid. Ook in de Alblasserwaard is de soort zeldzaam, en komt deze voor in een  klein gebiedje  ten noordoosten van de stad Gorinchem en in de Woelse Waard ten zuiden van diezelfde stad. De plasrombout komt voor bij traagstromende laaglandrivieren en stilstaande wateren nabij een rivier. Wordt ook bij grind- en zandwinplassen waargenomen. Larven leven op zandige plekken met op de bodem dood organisch materiaal.
Beste tijd om te zien: De plasrombout vliegt meest van begin mei tot eind juni.


RIVIERROMBOUT (Gomphus flavipes)

Beschrijving: Een iets grotere romboutsoort, met bij de mannetjes een sterk verbreed achterlijf bij het achtste en negende segment. De ogen zijn lichtblauw, en de zwarte lijnen op de bovenkant van het borststuk omsluiten twee geelgekleurde ovalen. De rivierrombout is geler gekleurd dan de plasrombout. Het gehele lichaam is een kleurenpalet van zwart met (fel)gele tekening. De poten bevatten duidelijk gele gedeelten. Verder verschilt de rivierrombout in veel miniscule details van andere romboutsoorten.
Verspreiding: De rivierrombout heeft sterk te lijden gehad van de vervuiling van het (rivier)water in de jaren ’70 en ’80 van de twintigste eeuw. Recent heeft de soort zich weer hersteld, en breidt zijn areaal langzaam uit naar het westen en noorden. In Nederland is de soort zeldzaam. In de Alblasserwaard is de soort nog zeer zeldzaam, maar met verschillende populaties met bekende voortplanting in de buurt wellicht op termijn zeldzaam. De soort komt voor bij traagstromende rivieren met een zandige bodem. De soort kan vanwege vlieggedrag boven de rivieren gemakkelijk worden gemist.
Beste tijd om te zien: De rivierrombout vliegt van begin juni tot begin oktober, maar meest tot eind juli.


SMARAGDLIBEL (Cordulia aenea)


Beschrijving: Metaalgroen gekleurde middelgrote libel. Kenmerkend zijn de lichtgroene ogen, het ontbreken van geel op het voorhoofd en de oranjegele vlekken aan de basis van de vleugels - wat een onderscheidend kenmerk is met de gelijkende metaalglanslibel (Somatochlora metallica), die overigens nog niet in de Alblasserwaard is vastgesteld. Verder heeft het mannetje een knotsvormig achterlijf, meest op de segmenten zeven en acht van het achterlijf. Het vrouwtje heeft een knotsvorm op de eerste drie segmenten van het achterlijf.
Verspreiding: De smaragdlibel is in het oosten van Nederland vrij algemeen, maar in de Alblasserwaard zeldzaam tot zeer zeldzaam. Kansrijke plekken zijn de Zouweboezem bij Ameide en ook in het Alblasserbos Papendrecht wordt er nu en dan een waarneming gedaan. De smaragdlibel komt voor bij stilstaande wateren zoals poelen en vijvers, vaak in bosachtig terrein. Komt ook voor langs traagstromende rivieren.
Beste tijd om te zien: De smaragdlibel vliegt vooral in mei en juni.


VIERVLEK (Libellula quadrimaculata)


Beschrijving: Middelgrote bruingekleurde libel, met een kenmerkend breed maar naar de achterlijfspunt spits toelopend achterlijf. Het achterlijf heeft hierdoor qua vorm wel wat weg van een smalle speerpunt. Kenmerkend zijn de twee zwarte vlekjes op elke vleugel, acht in totaal. Verder hebben de achtervleugels een zwarte basis. Het achterlijf is bij de vrouwtjes oranjebruin en bij de mannetjes donkerbruin.
Verspreiding: De viervlek is in ons land zeer algemeen. In de Alblasserwaard is de viervlek vrij algemeen, maar lokaal. De verspreiding is nog onvoldoende bekend. De soort komt voor bij stilstaand water met veel begroeiing rondom. Goede plekken in de Alblasserwaard zijn daarom de Alblasserbossen, het Kraaienbos en de Avelingen.
Beste tijd om te zien: De viervlek vliegt van eind april tot in september, maar is het talrijkst in mei-half juli.


PLATBUIK (Libellula depressa)


Beschrijving: Fors ogende libel met breed en plat achterlijf en bruine ogen. Daardoor zeer kenmerkend. Bij de mannetjes is het achterlijf lichtblauw en bij vrouwtjes geel tot donkerbruin. Aan de basis van de vleugels zitten grote donkere driehoeksvormen.
Verspreiding: De platbuik is in Nederland algemeen voorkomend, en in de Alblasserwaard is de soort ook vrij algemeen. Vaak worden slechts een of enkele exemplaren bij elkaar gezien, omdat de mannetjes erg territoriaal zijn. Zij verdedigen hun territorium, wat bestaat uit stilstaande, ondiepe en zonbeschenen wateren, fel.
Beste tijd om te zien: De platbuik vliegt van eind april tot begin september, maar is het meest algemeen in mei-juni.



BRUINE KORENBOUT (Libellula fulva)

 

Beschrijving: De bruine korenbout is een middelgrote libel, en bij een vluchtige blik lijkt op de slanke uitvoering van een platbuik. Verse exemplaren zijn donkeroranje, en hebben op het achterlijf een verticaal lopende zwarte lijn. De uitgekleurde mannetjes veranderen sterk, en krijgen een helblauw gekleurd achterlijf, wat bij het ouder worden verkleurd naar zwart. De mannetjes hebben blauwgrijze ogen. Vrouwtjes veranderen in geeloranje imago’s, en verkleuren bij het ouder worden naar dof donkerbruin. Kenmerkend blijven echter de donkere basis van de achtervleugels en de donkere vleugelpunten.
Verspreiding: De bruine korenbout is in Nederland een zeldzame soort, vooral omdat de soort nogal kieskeurig is. De bruine korenbout lijkt een bepaalde waterkwaliteit in combinatie met brede zomen van riet of hoge waterplanten te vereisen. De soort komt voor bij langzaam stromende rivieren, kanalen, grote beken en in meren en sloten. In de Alblasserwaard is de bruine korenbout zeldzaam, en komt de soort alleen voor in een klein natuurgebiedje ten noordoosten van de stad Gorinchem, aan de Linge.
Beste tijd om te zien: De bruine korenbout vliegt van eind april tot begin augustus, maar wordt meest gezien in mei en juni.


GEWONE OEVERLIBEL (Orthetrum cancellatum)


Beschrijving: Deze veel geziene libel heeft heldere vleugels zonder tekening, met donkere pterostigma. Het achterlijf heeft twee zwarte strepen in lengterichting. Het vrouwtje is geel (met de kenmerkende zwarte lengtestrepen) en het mannetje dofblauw met een zwarte achterlijfspunt.
Verspreiding: De gewone oeverlibel is zeer algemeen in Nederland, en algemeen in de Alblasserwaard. De soort komt voor in velerlei typen habitat, maar altijd bij stilstaand of langzaam stromende water, liefst met kale stukken op de oevers.
Beste tijd om te zien: De gewone oeverlibel vliegt van april tot begin september, en is het talrijkst van  juni tot augustus.

 

NOORDSE WITSNUITLIBEL (Leucorrhinia rubicunda)

Beschrijving: Een witsnuitlibel is gemakkelijk te onderscheiden van andere libellensoorten. Zoals de naam al zegt hebben ze een witte snuit. De vijf in Nederland voorkomende soorten witsnuitlibellen onderling zijn echter vrij lastig te onderscheiden. De noordse witsnuitlibel is in vergelijking met de venwitsnuitlibel (L. dubia) iets steviger gebouwd. Het achterlijf is zwart met forse gele (vrouwtje) of donkerrode (mannetje) vlekken. Het pterostigma is roodbruin, evenals de ogen.
Verspreiding: De noordse witsnuitlibel is in Nederland vrij algemeen, en komt vooral in de oostelijke helft van het land voor. In de Alblasserwaard is de soort zeldzaam, met slechts drie bekende waarnemingen, allen uit het Alblasserbos Papendrecht in 2006. De habitatvoorkeur van de noordse witsnuitlibel is verklarend voor het zeldzame voorkomen in de Alblasserwaard. De soort komt namelijk voor bij zure vennen en meren, soms bij rijk begroeide en voedselrijkere wateren.
Beste tijd om te zien: De noordse witsnuitlibel vliegt van half april tot begin augustus, maar de beste tijd in half mei tot half juni.


ZWARTE HEIDELIBEL (Sympetrum danae)


Beschrijving: De zwarte heidelibel is de kleinste van de bij ons voorkomende heidelibellen. Determinatie van heidelibellen op soortniveau is erg lastig. De mannetjes van de zwarte heidelibel zijn zwart, maar hebben gele vlekken op de zijkant van het borststuk. Ook op de eerste segmenten van het achterlijf zitten enkele gele vlekken (aan de zijkant). Vrouwtjes zijn geel gekleurd met zwarte tekening, net als alle andere heidelibellen. Ze onderscheiden zich echter door de zwarte poten, een donkere driehoek bovenop het borststuk en een brede zwarte band aan weerszijden van het achterlijf.
Verspreiding: De zwarte heidelibel is vrij algemeen in het hele land, maar met name in de oosthelft. In het westen in de soort schaarser. De zwarte heidelibel komt voor bij allerlei soorten zure wateren. In de Alblasserwaard is de soort zeer zeldzaam, met slechts één bekende waarneming te Kinderdijk.
Beste tijd om te zien: De zwarte heidelibel vliegt van half juni tot begin november, en is in augustus het talrijkst.


BLOEDRODE HEIDELIBEL (Sympetrum sanguineum)


Beschrijving: De bloedrode heidelibel heeft dieprood gekleurde mannetjes en geel tot geeloranje gekleurde vrouwtjes. De vrouwtjes hebben fijne zwarte tekening op hun achterlijf. Kenmerkend voor de soort is de kleine gele vlek aan beide achtervleugelbases. De uitgekleurde mannetjes hebben een vrij egaal bruingekleurd borststuk, een rood gezicht en een iets verdikt achterlijf.
Verspreiding: De bloedrode heidelibel is zeer algemeen in Nederland, en algemeen in de Alblasserwaard, hoewel de verspreiding in de binnenwaard nog niet goed bekend is. De soort komt voor bij voedselrijke wateren met veel moerasvegetatie, en mijdt zuur water.
Beste tijd om te zien: De bloedrode heidelibel vliegt van juni tot oktober, bij een zachte herfst tot in november. Meest algemeen in augustus.


ZWERVENDE HEIDELIBEL (Sympetrum fonscolombii)
1 waarneming polder Nieuwland 2 ex 24-06-2006
verschillende waarnemingen Put van Zessen 26-05-2012
1 waarneming 2 exemplaren polder Nieuwland 28-05-2012

Beschrijving: De zwervende heidelibel is een vrij forse heidelibel met een geheel recht achterlijf. De mannetjes zijn helrood, met aan de zijkant van het achterlijf op alle segmenten een dunne zwarte streep. Mannetjes hebben verder een rood voorhoofd. Beide seksen hebben ogen die aan de onderkant grijs tot blauw van kleur zijn. De aders aan de vleugelbasis zijn geel (vrouwtjes) tot rood (mannetjes). Verder heeft de soort een kenmerkende gele vlek aan de achtervleugelbasis. Verwarring is mogelijk met de vuurlibel (Crocothemis erythraea).
Verspreiding: De zwervende heidelibel is in Nederland vrij zeldzaam. De soort prefereert warme en stilstaande wateren met kale plekken, zoals bij zandwinplassen en nieuwe vijvers. De zwervende heidelibel is in de Alblasserwaard zeer zeldzaam met één bekende waarneming van twee exemplaren in polder Nieuwland (Papendrecht) in 2006. Heeft een invasief voorkomen, en kan in bepaalde jaren talrijker zijn dan in andere jaren.
Beste tijd om te zien: De zwervende heidelibel vliegt van eind mei tot in oktober.


BRUINRODE HEIDELIBEL (Sympetrum striolatum)


Beschrijving: De bruinrode heidelibel is wat doffer gekleurd dan de andere heidelibellen. Mannetjes zijn bruinrood tot oranjerood en hebben twee kenmerkende gele banden op de zijkant van het borststuk. De poten zijn bij beide seksen zwart met over de hele lengte van de dijen en schenen een gele streep. Vrouwtjes zijn geel gekleurd met fijne zwarte tekening op het achterlijf.
Verspreiding: De bruinrode heidelibel is in ons land algemeen, en ook in de Alblasserwaard vrij algemeen. De soort komt bij veel verschillende habitats voor, met name bij warme, stilstaande en weinig begroeide wateren. Ook een pioniersoort bij recent gegraven vijvers.
Beste tijd om te zien: De bruinrode heidelibel vliegt van juni tot diep in de herfst (oktober/november) en het is het meest talrijk is juli.


STEENRODE HEIDELIBEL (Sympetrum vulgatum)


Beschrijving: De steenrode heidelibel heeft een zeer kenmerkend onderscheid met andere heidelibellensoorten. Op het voorhoofd van de kop, net onder de ogen, is een duidelijke zwarte en naar beneden lopende streep te zien. Dit wordt ook wel de ‘snor’ genoemd. Alleen de steenrode heidelibel heeft een duidelijke en lange snor. Verder zijn de mannetjes oranjerood gekleurd en de vrouwtjes geel met fijne zwarte tekening. Het ontbreken van de gele banden op de zijkant van het borststuk is een onderscheiden verschil met de bruinrode heidelibel (S. striolatum). Een detailkenmerk bij de vrouwtjes is de legschede op de achterlijfspunt die een recht hoek maakt met het achterlijf.
Verspreiding: De steenrode heidelibel is algemeen in Nederland, en ook in de Alblasserwaard. De soort komt voor bij sterk begroeide en stilstaande wateren voor.
Beste tijd om te zien: De steenrode heidelibel vliegt van juni tot november en is het talrijkst van juli tot september.


ZUIDELIJKE HEIDELIBEL (Sympetrum meridionale)

Beschrijving: De zuidelijke heidelibel wordt gekenmerkt door het vrijwel ontbreken van tekening op het achterlijf. Ook ontbreekt bij de oranjerood gekleurde mannetjes vaak het zwart op de achterlijfspunt. De zwarte strepen op de zijkant van het borststuk zijn zeer dun. De poten zijn overwegend geel van kleur. Vrouwtjes zijn geel en hebben evenals de mannetjes weinig zwarte tekening op het achterlijf. De pterostigmata zijn oranjebruin.
Verspreiding: De zuidelijke heidelibel is zeer zeldzaam in Nederland. Bijzonder is de enige waarneming in de Alblasserwaard in een tuin in Hardinxveld-Giessendam in 1994. De waarneming is bevestigd met een foto.
Beste tijd om te zien: Omdat de soort in ons land zo zeldzaam is, is de vliegtijd minder bekend. In Frankrijk vliegt de soort van begin juni tot half oktober.


VUURLIBEL (Crocothemis erythraea)


Beschrijving: De vuurlibel is een zwaargebouwde middelgrote libel, die opvalt door de scharlakenrode kleur van het mannetje. Het gehele lijf is vuurrood (mannetje) of dofbeige tot bruingeel (vrouwtje). Het achterlijf is duidelijk verbreed, ongeveer als van platbuik (Libellula depressa). De vrouwtjes hebben witte strepen tussen de vleugels, op het borststuk. De vleugels zijn bij beide seksen helder met een gele vlek op de achtervleugelbasis. Bij het mannetje ontbreekt de kleur zwart op kop, poten en borststuk.
Verspreiding: De vuurlibel is een zeldzame soort in Nederland, maar wordt recent steeds vaker waargenomen. In de Alblasserwaard is de soort zeldzaam tot zeer zeldzaam, en komt hij alleen voor in de Avelingen bij Gorinchem. De soort komt bij open, stilstaande wateren voor, met voorkeur voor beschutte plekjes en helder water.
Beste tijd om te zien: De vuurlibel vliegt van half juni tot begin september. In de Alblasserwaard komen de meeste waarnemingen uit de maand juni.