Zoogdieren

Het begrip 'zoogdieren'
De eigenschap van zoogdieren is, dat ze hun jongen zogen. Zogen betekent “het laten zuigen van”. Alle dieren die hun jongen zogen (het geven van moedermelk) zijn dus zoogdieren. Het krijgen van levende jongen is geen garantie om zoogdier te zijn, zoals het leggen van eieren geen garantie is om vogel te zijn. Er zijn vissen en hagedissen die levende jongen krijgen en zoogdieren die eieren leggen.

Australië is een continent waar van oorsprong allen maar primitieve zoogdieren voorkomen. Twee daarvan zijn het Vogelbekdier en de Mierenegel. Deze zoogdieren leggen eieren maar ze zogen hun jongen. Deze dieren hebben geen tepels maar de buikhuid scheidt melk af, wat door de jongen opgelikt wordt. Kangaroe’s hebben ook een primitieve vorm van zogen. Het jong wordt eigenlijk in een embryonale toestand geboren. Het kruipt in de buidel van de moeder en vergroeit eigenlijk aan de tepel om verder te ontwikkelen. De moderne zoogdieren krijgen goed ontwikkelde jongen, die zelf in staat zijn om de zoogplaats bij de moeder te vinden.

Reegeit in polder Giessen-Nieuwkerk. © Albert de Jong

Zoogdieren in de Alblasserwaard zijn niet moeilijk te vinden, als je door de polder rijdt of loopt zie je niets anders. Koeien, paarden, schapen en heel af en toe varkens. Al deze dieren zijn fokproducten van wilde voorouders. Het vee noemen wij dat, het vee is er alleen maar voor het menselijk belang anders hadden deze fokproducten nooit bestaan. Wel opvallend is dat het zgn. vee allemaal hoefdieren zijn. Het enige hoefdier dat in het wild in de Alblasserwaard leeft is het Ree. Het Ree is een hertensoort en herten behoren ook tot de hoefdieren. Herten laten zich heel moeilijk temmen, alleen Rendieren laten dat toe maar dan in een half wilde status.

Insecteneters
De insecteneters vormen een groep binnen de zoogdieren met de volgende kenmerken: ze hebben een lange spitse snuit, en nemen - afhankelijk van de soort - al gravend of scharrelend voedsel tot zich. In de Alblasserwaard zijn dat de Mol, Egel, Bosspitsmuis, Huisspitsmuis, Dwergspitsmuis, Rosse Woelmuis en waarschijnlijk ook de Waterspitsmuis. De meest bekende zijn de Mol en de Egel. Voor spitsmuizen is meer studie nodig om de soort vast te stellen.

Egel in Hardinxveld - Giessendam. © Merijn Loeve
 

Vleermuizen
Vleermuizen zijn een heel aparte zoogdierengroep, ze zijn wel een beetje verwant aan de insecteneters maar hebben het vermogen om te vliegen. Naast de vogels en de insecten zijn alleen vleermuizen er in geslaagd om ook gebruik te maken van het luchtruim. Hun vleugels bestaan uit een dunne huidwand tussen heel lang uitgegroeide vingers. Vliegen gaat altijd met een hoge snelheid, dit vergt het nodige van de zintuigen om goed en snel te kunnen reageren. Vogels hebben allemaal erg goede ogen. Vleermuizen, althans de soorten die hier voorkomen, hebben slechte ogen. Vleermuizen hebben een sonar waar ze op vliegen. Ze stoten een hoog frequent geluid uit wat weerkaatst tegen de obstakels in zijn omgeving bv. gebouwen en bomen. Dit uitstoten van geluiden gaat heel snel, hoe sneller ze vliegen hoe meer ze moeten roepen. Aan de hand van de ontvangen echo’s bepalen ze hun vlucht en hun prooi. Hardheid van de roep is ook belangrijk, hoe sneller de vleermuissoort kan vliegen, hoe harder hij zal roepen, dit om nergens tegen aan te vliegen. Wanneer de vleermuis vlakbij een prooi is, zend hij een grote hoeveelheid echo's uit, om de exacte locatie van de prooi te bepalen. Dit wordt ook wel een 'buzz' genoemd. Elke vleermuissoort heeft zijn eigen roep. Net als de zang van vogels. In de praktijk is het echter moeilijk om zonder hulpmiddelen de soortnaam te bepalen. Dit gaat een stuk gemakkelijker met een batdetector, een apparaat wat het hoog frequent geluid omzet in een voor ons hoorbaar signaal. Soorten in de Alblasserwaard zijn de Dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Watervleermuis, Meervleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis en Grootoorvleermuis. Alle soorten houden een winterslaap.


Knaagdieren
De knaagdieren zijn een heel grote familie met nogal wat onderlinge verschillen. Het woord muis of rat zegt eigenlijk helemaal niets over een soort. In de Alblasserwaard kunnen we ze in 2 groepen verdelen. De ware muizen en de woelmuizen. Het verschil zit vooral in het gebit.

Ware muizen
De ware muizen zijn in bezit van knobbelkiezen wat duidt op een omnivore voedselkeuze. De soorten zijn: Bruine rat, Zwarte rat, Huismuis, Bosmuis en Dwergmuis.

Woelmuizen
De woelmuizen hebben plooikiezen wat duidt op een herbivore voedselkeuze. De soorten zijn: Veldmuis, Aardmuis, Rosse woelmuis, Noordse woelmuis, Woelrat maar ook de Muskusrat heeft een plooigebit en valt onder de woelmuizen.

Een ander uiterlijk verschil zijn de ogen en de oren. Bij de ware muizen zijn de ogen en oren veel groter en duidelijk te onderscheiden. Bij de woelmuizen zijn de ogen kleiner en de oren dikwijls in hun pels verborgen. Woelmuizen zijn gravers, grote ogen en grote uitwendige oren zijn heel lastig onder de grond, ze lopen vol. Ware muizen graven nauwelijks maar maken meer gebruik van bestaande holtes. Bij de mens staan bovenstaande 3 families bekend als ongedierte

Dubbeltandigen
Hieronder vallen 2 soorten dieren nl. het Konijn en de Haas. Ze onderscheiden zich van de knaagdieren door het bezitten van een dubbelstel snijtanden. Deze snijtanden staan achter elkaar zodat het lijkt of ze maar 2 snijtanden hebben. Hazen en konijnen laten zich meestal makkelijk zien. De Haas is een steppedier en graaft nooit, het konijn heeft meer voorkeur voor hogere gebieden zoals dijken en kaden, ze onderhouden een uitgebreid gangenstelsel.

Roofdieren
In de Alblasserwaard kennen we maar 3 soorten roofdieren in het wild nl. de Wezel, Hermelijn en Bunzing. Alle drie zijn lid van de marterachtigen. Een vierde lid van deze familie kwam in het verleden ook voor in de Alblasserwaard dit is de Otter. Signalen dat de Steenmarteren intrede heeft gedaan in de Alblasserwaard, zijn nog niet van dien aard dat we dit als een vast gegeven moeten zien. 

In november 2012 werd bij Boven-Hardinxveld een Vos gezien én gefotografeerd. Bron: Kompas

De Vos is zeldzaam en wordt slechts incidenteel waargenomen. Marterachtigen jagen vooral op muizen en vogels. Bunzingen leven dichter bij de mens zoals op erven van boerderijen en op industrieterreinen, maar ook steeds vaker in dorpen.