Bijzondere Broedvogels

Op deze pagina vindt u een aantal bijzondere broedvogels uit de Alblasserwaard

- de Purperreiger
- de Kerkuil
- de Steenuil

PURPERREIGER

Voorkomen

De Purperreiger is aan te treffen in de werelddelen Europa, Afrika en Azië. In Europa komen de belangrijkste kolonies voor in Frankrijk, Spanje, Italië en Hongarije. In België broedt de purperreiger niet en in Duitsland is de purperreiger wel broedvogel, maar waarschijnlijk met nog geen 10 paren. De Nederlandse broedgebieden liggen dus wat geïsoleerd ten opzichte van de belangrijke Zuideuropese en Oosteuropese broedgebieden.
Het is begrijpelijk dat in de Lage Landen aan de Zee de blauwe reiger Ardea cinerea veel bekender is dan de Purperreiger Ardea purpurea. Ons land herbergde in 1998 ongeveer 10.000 nesten van de blauwe reiger tegen ruim 300 van de rode reiger! Bovendien is de blauwe reiger groter. Deze soort heeft staand een hoogte van 90- 98 cm. en heeft een vleugelspanwijdte van 120-150 cm. Het is verder door de meer teruggetrokken, verborgen levenswijze dat de Purperreiger veel minder bekend is. Beide soorten hebben als belangrijke kenmerken gemeen de slanke bouw, de fraaie waadpoten en de puntige stootsnavel met de S-vormige hals.

Broeden
De eerste purperreigers kunnen eind maart arriveren. De eerste eieren worden gelegd in april. De hoofdmoot komt tot broeden in mei. De legsels bevatten vaak 4 à 5 eieren. Drielegsels komen regelmatig voor, zeslegsels komen weinig voor. Ze worden met tussenpozen van 1 à 2 dagen gelegd. Broeden begint met het eerste ei en duurt vier weken. De jongen zijn na 7 à 8 weken vliegvlug.
De purperreiger nestelt in Nederland vooral in overjarig waterriet en in struweel ( struiken), in klein aantal in drijftilvegetaties. Rietnesten hebben een hoogte van grofweg een halve à één meter. Voor de komst van de vos hadden struweelnesten een nesthoogte van 2 à 4 meter. Met de komst van de vos zijn de purperreigers hoger gaan nestelen. Hoogtes van 5 à 8 meter zijn normaal geworden. De laatste jaren wordt in het Nieuwkoopse Plassengebied zelfs ook genesteld in bomen tot op meer dan 10 meter hoogte!

Alblasserwaard
De Alblasserwaard kent twee belangrijke kolonies. De kolonies in de Zouweboezem bij Ameide en die in de Hoge Boezem van de Overwaard bij Kinderdijk. De nesten van beide kolonies behoren tot het rietnesttype. Het gaat de beide kolonies de laatste jaren erg goed. Van de kolonie bij Ameide is over een lange periode het aantalsverloop berekend. Elk jaar wordt de kolonie door een groep tellers o.l.v. R.F. den Breejen in juni bezocht en veel jongen geringd. Het aantal nesten is de laatste jaren toegenomen. In 1999 was de kolonie met 68 nesten zelfs uitgegroeid tot de grootste van Nederland. Zesenvijftig jongen werden geringd. Deze groei is mede bevorderd doordat de voedselsituatie in de kolonie is verbeterd door het dras en plas maken van een aangrenzende graslandpolder. Het natuurontwikkelingsgebied De Boezem is in het broedseizoen rijk aan kikkers, waterinsecten en jonge vis.(R. Terlouw).

Boezems Kinderdijk
De kolonie bij Kinderdijk is een verhaal apart. Tientallen jaren lang werd hier het aantal broedparen.geschat op veelal minder dat tien paren. In 1997 werd de kolonie voor het eerst in het broedseizoen bezocht. In de jaren 1998 en 1999 gaf de drassige Hoge Boezem langzaam maar zeker haar geheimen prijs! Dat dit een moeizaam prijsgeven is, hebben Ad Kooij en Jan Schoonderwoerd zelf aan den lijve ondervonden. Hoe ontoegankelijk en desoriënterend kan hoog waterriet zijn! Naast heerlijk pingelende baardmannetjes en baltsende bruine kiekendieven steeg het aantal nestvondsten van min. 12 in 1997, naar min. 35 in 1998 naar minimaal 47 in 1999. Zo herbergde de Zouweboezem en deze kolonie in 1999 zeker 115 nesten van de Purperreiger. Dit is ca. 30 % van het landelijk totaal.
De broedresultaten werden in 1999 in de kolonie bij Kinderdijk gevolgd. Ze waren prima. De verzamelde gegevens maken aannemelijk dat er gemiddeld per nest al gauw drie jongen vliegvlug komen. De voedselvoorziening moet goed zijn.

Voedsel
Het voedsel van de purperreiger in West-Europa bestaat vooral uit vissen, verder uit zoogdieren, insecten en amfibieën. In de Nederlandse kolonies neemt (wit)vis in het algemeen de eerste plaats in.
Reigers zijn oogjagers. Hoewel de ogen behoorlijk opzij in de kop staan, kunnen ze toch uitstekend langs de snavel heen met twee ogen kijken en zo feilloos de prooiafstand inschatten. In tegenstelling tot de blauwe reiger is de purperreiger een uitgesproken dagreiger.
De purperreiger foerageert graag in de visrijke poldersloten van laagveenweidegebieden. Veel purperreiger van de kolonie bij Ameide zoeken voedsel in de Alblasserwaard (R. Terlouw). De vogels van de kolonie bij Kinderdijk vliegen daarentegen "massaal" naar de Krimpenerwaard. De purperreiger heeft waarschijnlijk een voorkeur voor laagveensloten boven kleisloten.
Opmerkelijk blijft wel dat zo veel vogels van Kinderdijk naar het noorden vliegen. Dit facet vraagt nader onderzoek.
De vogels kunnen tot meer dan 20 km. van de kolonie af voedsel zoeken. Er wordt solitair gefoerageerd. Ze zoeken hun voedsel vooral in ondiepe weilandsloten. Dit doen ze door in het weiland te dalen, naar de sloot toe te sluipen, even in het water te loeren om dan weer één à twee meter verder te lopen en dan weer in het water te kijken. Zo loopt de reiger al voedselzoekend de slootkant uit. Deze methode is goed uit te voeren in slootkanten met een korte vegetatie. Het kan zijn dat de Purperreiger op visplekken met een hoge vegetatie (waardoor het lopen sterk bemoeilijkt wordt), urenlang in het water loert naar voorbijzwemmende prooidieren. Deze methode van prooizoeken is vaak bij de blauwe reiger waarneembaar. Een grote vraag naar voedsel is er in de jongenperiode. Dit is met name het geval in de maanden juni en juli.

Winter
Veel jongen vliegen uit in juli en augustus. In het najaar trekken eerst de oudervogels en wat later de jongen naar het zuiden. In het winterhalfjaar is de purperreiger in West-Europa een zeldzame verschijning. De soort overwintert in tropisch West-Afrika. Pas in het voorjaar komt dit fraaie schepsel weer terug en het is elk jaar weer een vreugde om ze te mogen begroeten.


DE KERKUIL


Inleiding
De kerkuil is een soort die over een groot deel van de aarde gevonden wordt. Alleen de slechtvalk kent een groter verspreidingsgebied. In het verspreidingsgebied (her)kent men 34 geografische vormen. In Europa komen 3 sub-species voor. De bij ons voorkomende is de Tyto alba guttata.Net als bij alle andere uilen staan de ogen vast in de kop en zijn ze ver naar voren geplaatst waardoor ze binoculair kunnen kijken wat bij het vangen van prooien erg handig is. Om rond te kunnen moeten ze echter hun nekspieren veelvuldig gebruiken, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de watersnip die een gezichtsveld heeft van bijna 360 graden. Vanzelf hebben ook kerkuilen goede oren die, verborgen achter een krans van veertjes, vlak achter de oren liggen. Om zo stil mogelijk te kunnen vliegen zit er aan de veerranden van de slagpennen een fluweelachtig soort dons en verder heeft de kerkuil grote vleugels waardoor het gewicht van de uil verdeeld wordt over een relatief groot oppervlak. De balts van de kerkuil is al vroeg in het jaar en is mede afhankelijk van het voedselaanbod. Bij een hoog prooiaanbod begint de balts eerder dan bij weinig prooidieren. De zang is niet meer dan een ijselijk gegil wat op grote afstanden hoorbaar is. Het blazen wordt veel vaker gehoord en gebeurd zowel door de oude vogels als ook door de, bedelende, jongen. De broedplaatsen zijn zeer uitgebreid, voorwaarde is eigenlijk alleen dat het er erg rustig is en donker. We kunnen ze vinden in boerderijen, kerken, kastelen, molens, verlaten gebouwen, duiventillen, en zelfs in holle bomen. Net als bij de andere uilen begint het wijfje direct na het eerste ei te broeden. Gevolg is wel dat als er een stuk of vijf eieren gelegd worden het eerste jong stukken groter is dan het laatste dat uit het ei kruipt. De tussenpozen van het leggen wisselt ook nogal, van 1 tot 5 dagen. Het aantal eieren varieert van 4 tot 7 stuks. In muizenrijke jaren wordt wel tweemaal gebroed en het tweede legsel is dan vaak groter dan het eerste. Alleen het wijfje broedt gedurende de ongeveer 30 dagen durende broedperiode. Het mannetje zorgt er dan voor dat er muizen op de plank komen. De jongen vliegen na ongeveer 10 weken uit. De prooidieren die gevangen worden zijn voor een deel afhankelijk van de omgeving en het aanbod op dat moment. De belangrijkste prooidieren zijn: veldmuis, bosspitsmuis, huisspitsmuis, bosmuis, aardmuis, en huismuis. Maar ook dieren als vleermuizen, ratten, mollen, vogels worden gevangen.

Voorkomen in de Alblasserwaard
Om in de Alblasserwaard een broedpopulatie op te bouwen zullen we vogels van elders moeten krijgen. Nu staan kerkuilen bekend als echte standvogels maar uit ringonderzoek blijkt dat er ook behoorlijke verplaatsingen kunnen zijn. Het zijn vooral de jonge vogels die weg zwerven, maar ook oude vogels zoeken wel eens elders hun geluk. Deze verplaatsingen worden vooral veroorzaakt door de voedselsituatie en dan met name het aanbod van veldmuizen. Het zal duidelijk zijn dat in een jaar met veel veldmuizen er meer dispersie zal zijn dan in magere jaren. Een bepaalde richting is niet uit de ringgegevens op te maken. Vanzelf worden de meeste vogels uit eigen land teruggemeld maar ook uit Duitsland, België en Frankrijk worden vogels teruggemeld. Het grootste deel van de jonge vogels wordt binnen een straal van 30 km teruggemeld. Daar er in de ons omringende gebieden nog maar heel weinig of helemaal geen kerkuilen broeden, kan het nog wel even duren voor er weer een behoorlijke populatie in de Alblasserwaard is opgebouwd.
Waarnemingen

Het aantal waarnemingen dat in het archief van de werkgroep is opgeslagen is zeer beperkt. Het blijkt dat niet iedereen zijn waarnemingen heeft doorgestuurd dus hopelijk komen er op deze publicatie dan ook nog de nodige aanvullingen waarvoor wij u bij deze hartelijk dank zeggen. U kunt deze mailen naar: Kerkuil@nvwa.nl Net als in de rest van het land kwam de kerkuil voor 1963 over heel de Alblasserwaard verspreid voor, zij het in lage aantallen. Van de volgende plaatsen zijn hierover gegevens bekend: Alblasserdam (oude toren begraafplaats), Nieuwpoort (in een boerderij), Oud Alblas (in vervallen molen), Streefkerk (toren Ned.Herv. kerk), Giessenburg (zolder boerderij), Hardinxveld-Giessendam, Papendrecht (in 1961 in een rietschelf). In de jaren zeventig werden de volgende waarnemingen gedaan: winter '73 2 exemplaren in een oude boerderij bij Ameide. Nieuw-Lekkerland, zomer '72 een exemplaar bij een molen van de Overwaard. Streefkerk, een roepend exemplaar in polder Langebroek in april '71. In maart '75 in Arkel en in '75 een vliegend exemplaar boven een weiland aan het Westeind van Wijngaarden. Als laatste op 10 oktober '76 een exemplaar bij de Bovenkerkse tiendweg te Giessenburg.Uit de jaren tachtig maar twee waarnemingen namelijk januari '86 toren Bleskensgraaf en januari '89 polder Streefkerk. Voor de jaren '90 werden tot nu toe de volgende waarnemingen doorgegeven: maart '96 werd een dood exemplaar gevonden in Nieuw-Lekkerland en in datzelfde jaar vond een broedgeval plaats in Schelluinen. In 1998 kon er weer een broedgeval in het oosten van de waard genoteerd worden.. bij deze laatste broedplaats was het mogelijk braakballen te verzamelen die door leden van de zoogdierenwerkgroep zijn uitgepluisd. Dit laatste verschaft ons inzicht in de voedselkeuze van de kerkuil in onze polder. In 1999 hebben er twee paren in het oosten van de Alblasserwaard gebroed. Helaas zijn er ook meldingen binnengekomen van twee verkeersslachtoffers bij de kruisingen van de provinciale wegen ter hoogte van Giessenburg. In 2000 waren er drie broedparen in ons gebied. Helaas in het jaar 2001 was er slechts één broedpaar. Op 27 juli 2004 zijn er ergens in de Alblasserwaard zeven kerkuilen geringd. Het betreft hier een zestal jongen en één van de ouders.  Sinds 1998 zijn er inmiddels zo'n 17 geringde kerkuilen geringd in onze regio. In 2004 werden er op 12 verschillende plaatsen kerkuilen waargenomen in de Alblasserwaard. Er waren acht zekere broedgevallen met maar liefst in totaal minstens 21 uitgevlogen jongen.

Braakbalonderzoek
In de achterliggende periode zijn ongeveer 90 braakballen onderzocht. Het gemiddelde aantal muizen per braakbal is ongeveer 2,5. De braakballen van de kerkuil zijn van een flink formaat. De gemiddelde lengte is 4,7 cm en de dikte bedraagt 2,1 cm. tweemaal is een braakbal gevonden met 5 muizen. In enkele kleine braakballen zat slechts 1 muis.
De hoofdmoot bestaat uit veldmuizen (90%). Andere soorten die werden aangetroffen zijn: aardmuis 4 ex., ondergrondse woelmuis 1 ex., woelrat 2 ex.. al deze soorten behoren tot de woelmuizen. Van de ware muizen werd de bosmuis vier maal aangetroffen. In de groep spitsmuizen werden de volgende soorten gevonden: huisspitsmuis(5 ex.), bosspitsmuis (7 ex.) en dwergspitsmuis 1 exemplaar.

Indien u meer informatie wilt over het kerkuilenproject van onze vereniging of zelf nestkasten wilt plaatsen, kunt u een mail sturen naar vogelwerkgroep@nvwa.nl


DE STEENUIL

OPROEP: Geef uw steenuilenwaarnemingen door!

De Steenuil is de kleinste in ons land voorkomende uil. Door de bolle kop en het relatief dikke verenpak lijkt hij groter dan hij is. Met een lichaamsgrootte van 21 – 23 cm en een vleugelspanwijdte van 54 – 58 cm is hij echter nauwelijks groter dan een zanglijster. Steenuilen hebben een gevlekt verenkleed. De bovenzijde is bruin met witte spikkels en de onderzijde witachtig en dicht bruingestreept. Alhoewel een uitgesproken masker ontbreekt ontstaat door de lichte oogstreep en lichte kin toch de accentuering van een gelaat met daarin als opvallend kenmerk de grote ogen met gele iris. De poten zijn lang en wit bevederd.

Het vliegbeeld kenmerkt zich door een snelle, lage, golvende vlucht waarbij de brede, afgeronde vleugels goed zichtbaar zijn. Steenuilen zijn deels ook overdag actief. Dan kunt u ze open en bloot, zonnend of op de uitkijk zittend, waarnemen.

De Steenuil is voor zijn voortbestaan gebonden aan het kleinschalige cultuurlandschap. Daar vindt de soort voldoende nestgelegenheid, voedsel, schuilmogelijkheden en jaagplekken. De afname van het aantal broedparen in de laatste 30 à 40 jaar heeft dan ook alles te maken met de geleidelijke verdwijning van dit landschap gedurende deze periode. Urbanisatie op het platteland, uitbreiding van het wegennet en schaalvergroting en intensivering in de landbouw zijn daar debet aan. Voor de steenuil betekent deze ontwikkeling: minder nestgelegenheid in boomholtes (knotbomen, hoogstamfruitbomen) en (bij)gebouwen, minder aanbod aan geschikte prooidieren en een grotere kans op sterfte door het verkeer.

In de Alblasserwaard is de verspreiding van de steenuil nog vrij onbekend. Daarom doen we aan u de oproep uw steenuilen waarnemingen door te geven. Uw waarnemingen zijn heel erg welkom! Als er een broedpaartje bij u op het erf zit, kan er ook een nestkast geregeld worden. U kunt de waarnemingen aan onderstaan persoon doorgeven.