Columns

In 2009 verschenen (min of meer) maandelijks op de oude site columns over anderhande natuuronderwerpen. Veel leesplezier!

 

November 2009

Help de vogels de winter door?
Een paar weken geleden was het er opeens weer. Ik werd ’s ochtends wakker, buiten was het nog donker maar ik hoorde een Roodborst zingen. Ik had hem nog niet eerder gehoord dit najaar, waarschijnlijk is hij net geariveerd uit het noorden of oosten van Europa. En hij zegt het meteen maar duidelijk: “Dit is deze winter mijn territorium!” Voor mij betekent de zang van die Roodborst dat de drukkere periode er weer aankomt in de tuin. Ik heb een doorsnee huis met een doorsnee tuin in een doorsnee wijk: niks bijzonders. Ik moet de vogels in deze wijk dan ook delen met alle andere doorsnee tuinen. In de zomer zijn er maar weinig verschillende soorten te vinden in onze tuin. Een paartje Merels, Kauwen die ons oude brood van de schuur halen, een klein groepje Huismussen en wat Spreeuwen die aangeven dat mijn druiven rijp zijn. In de verte kan ik af en toe nog net een Zanglijster en Heggemus horen zingen en aan het einde van ons huizenblok zit een paartje Boomkruipers. Dat is dan nog wél leuk in zo’n woonwijk. In de winter wordt het leuker in de tuin. Dan krijgen we weer bezoek van de Roodborst, Vinken, Koolmezen en Pimpelmezen. En net voordat die vogels allemaal weer naar mijn tuin komen krijg ik ieder jaar een mooie catalogus met het beste vogelvoer in de brievenbus. Help de vogels de winter door!  Mijn kans om de vogels uit de hele wijk naar onze tuin te lokken!

Bladerend door de catalogus zie ik een broedkast voor Huismussen. Een soort drie-onder-één-kap-kast. Een broedkast met drie kamers, een gaatje aan de ene kant, een gaatje aan de voorkant en een gaatje aan de andere kant. Met de Huismussen gaat het niet zo best in Nederland. Vroeger konden de Huismussen nog vrijelijk onder de dakpannen nestjes bouwen en gooide iedereen zijn korstjes brood en broodkruimels in de tuin. Ik ben nog geen dertig maar ik herrinner me de tijd nog dat er rijen Huismussen op de rand van de dakgoot gezellig zaten te tjilpen, iedere vogel voor zijn eigen nestje onder die dakpannen. Tegenwoordig mogen er geen huizen meer gebouwd worden met gaatjes erin, dus wèg nestgelegenheid. Ook de korstjes en broodkruimels worden minder in de tuin gegooid. Veel mensen drinken onderweg naar hun werk snel een ‘Goeiemorgen Drinkontbijt’. Of ze eten staande aan het aanrecht even snel een boterham en de kruimels worden haastig de gootsteen ingeveegd. Ondertussen is de Huismus op de Rode Lijst beland en gaat de soort hard achteruit. Niet de eerste keer dat Mussen hard achteruit gingen.

De chinese dictator Mao Zedong had als één van de onderdelen van ‘de Grote Sprong Voorwaarts’ een helder idee: 打麻雀运动 (voor wie geen chinees kan, de Grote Mussencampagne). Mussen moesten uitgeroeid worden want ze aten graszaden en verstoorde dus de landbouw. Om deze ‘plaag’ te bestrijden moesten alle boeren in China met potten en pannen lawaai maken als er Mussen in de buurt waren. De Mussen zouden nergens meer durven landen en zouden uiteindelijk uitgeput uit de lucht vallen. Het werkte best, er gingen tienduizenden Mussen dood en de oogst was beter dan het jaar daarvoor. Maar, zonder de Mussen werden de Sprinkhanen niet meer opgegeten en het jaar daarna kwamen er sprinkhanenplagen en een zeer grote hongersnood. Tussen 1959 en 1961 stierven 30 tot 40 miljoen mensen aan de honger als gevolg van de Grote Mussencampagne. Blijkbaar heeft iedere vogelsoort wel een bepaald nut, maar zien we dat niet altijd. Ik heb het niet zo op Sprinkhanen dus ik heb een mooi drie-onder-één-kap-broedkast aangschaft. Zal ik dan meteen maar voer bestellen? Help de vogels de winter door!

Maar helpen we werkelijk de vogels de winter door? Ja, de vogels die van het voer komen eten help je inderdaad de winter door. Maar is het ook goed voor alle vogels? Die Koolmezen en Pimpelmezen leven de rest van het jaar waarschijnlijk ergens in een bos. Ze moeten daar concurreren met bijvoorbeeld de Bonte Vliegenvanger, die ongeveer hetzelfde eet en ook in boomholtes broedt. Na het broedseizoen, als de jongen zelfstandig zijn geworden, komt het verschil. De Bonte Vliegenvanger zwerft nog wat rond in bijvoorbeeld een dorp als Oud Alblas, maar gaat daarna met mooie nieuwe veren aan een lange reis beginnen. Hij kiest ervoor om de winter door te brengen in West-Afrika. Tijdens die reis heen en weer zullen er de nodige Bonte Vliegenvangers sneuvelen, maar ieder jaar zullen er ongeveer even veel terugkomen in Nederland. De Koolmees en Pimpelmees blijven lekker in Nedeland. Ze gaan rondzwerven en je komt ze soms tegen op plaatsen waar je ze niet verwacht. De eerste keer dat ik een Pimpelmees in de winter in een rietstengel zag hakken op zoek naar iets eetbaars, was ik toch wel verbaasd. Als het echt koud wordt komen er steeds meer mezen in mijn tuin. En juist op dat moment, als het echt koud is en er voedselschaarste is, zouden er veel Mezen dood moeten gaan. Zij trekken niet naar het zuiden maar lopen het risico hier in de winter te verhongeren. Doordat mensen juist op dat moment massaal voeren blijft er dus een onnatuurlijk hoog aantal Mezen in leven. In het voorjaar keren er dan meer Koolmezen, meer Pimpelmezen, maar een gelijk aantal Bonte Vliegenvangers terug in het bos. Er is dus sprake van oneerlijke concurrentie. Het is maar theorie. Of het ook echt zo in de praktijk is?

Wat wel praktijk is: Merels zijn van oorsprong echte bosvogels maar ze hebben zich ingeburgerd in dorpen en steden. Bij mij in de tuin was in het voorjaar een paartje druk in de weer. Ze vlogen samen een conifeer in met takjes; ze bouwden een nest. Later vloog alleen het mannetje de conifeer in met wormpjes; het vrouwtje zat te broeden. Weer later vlogen mannetje én vrouwtje de conifeer in en uit; er waren jongen. Na een paar weken vlogen twee jonge Merels de conifeer uit. Wat het is met die jonge Merels weet ik niet maar die beesten komen altijd net een paar dagen te vroeg uit het nest. Ze kunnen dan eigenlijk nog niet fatsoenlijk vliegen en kruipen en fladderen wat op de grond. Nou is een jonge merel op die donkere bosgrond misschien veiliger als met een paar jongen in een nest maar bij mij in de tuin is het zelfmoord! Minstens vier verschillende katten bezoeken regelmatig mijn tuin en zo’n jonge Merel die piepend en fladderend over de grond kruipt is hartstikke leuk om mee te spelen. Na een paar weken vloog alleen het mannetje de conifeer in met wormpjes; het vrouwtje zat te broeden. Van dit broedsel is uiteindelijk één jonge Merel groot genoeg geworden om bovenin de Sering te belanden. Die vogel zal het wel gehaald hebben.

Weet je wat ik doe? Ik bestel gewoon voer, al is het maar voor die Merel deze winter!

Martin HarskampOktober 2009

Massa
Herfstvakantie 2009 zal in menig vogelaarsgeheugen gememoreerd blijven als een week vol spanning. Hectisch. Zo kun je het fenomeen ook wel typeren. Massale toeloop van nieuwsgierigen, ik moet eigenlijk zeggen: hunters. Ze gaan niet zozeer voor het moment, maar voor de soort. Het begon allemaal op 17 oktober. Op Texel werd laat op de middag een nieuwe soort voor Nederland ontdekt: een Kaspische plevier Charadrius asiaticus. Een foto van Texel van de dag erop zegt mij al genoeg: een waar woud van telescopen, camera’s met lenzen waar je wat lengte betreft op kunt skiën, en een afdeling op militairen gelijkende mensen die al dit geschut bedienen. De orde ontbreekt alleen. Ongetwijfeld tot vreugde van Veerboot Texel en Co. Maar ik moet er niet aan denken in dit legeronderdeel te dienen. Afijn, het zal niet bij 250 man gebleven zijn die op de foto zichtbaar gehebt door de “Kasp” hun geschut op de soort richten. Ben ik even blij dat Texel een brug (of in dit geval: een pont) te ver is voor mij!

En dan komt die 23e oktober. Ditmaal speelt het tafereel zich niet op een onbereikbaar Waddeneiland af, maar in een schitterende uiterwaard. Het duurt even voordat het duidelijk is, maar opnieuw wordt een nieuwe soort voor Nederland ontdekt. En wat voor een! Wat mij betreft nog net even wat spannender dan een Kaspische plevier: een heuse Taigastrandloper Calidris subminuta! De 7e voor de Western Paleartic nog wel liefst. Als ik eerlijk moet zijn: bij de naam alleen al krijg ik zin om hem te zien! Taiga, dan denk ik aan een streek bovenin Scandinavie, waar Goudplevieren hun weemoedige “pjjuuu” laten horen, Kleine strandlopers in prachtkleed de rood-oranje tinten van hun omgeving aannemen en af en toe een opvallende Sneeuwuil zich laat zien. Maar eigenlijk is de taiga meer het gebied waar een soort als de taigagaai voorkomt, hoe kan het ook anders. In ieder geval: taiga doet meer met me dan iets Kaspisch. Het was een van de redenen om me te mengen in de massa. Mee te doen met het hectische spektakel dat twitchen heet. En niet zonder voldoening!

Als ik met een aantal collegavogelaars, alias medetrektellers de zaterdag na de ontdekking de Zwolse dijk betreed waar vanaf het beestje te zien is, is m’n eerste gedachte: “Is hier een reünie gaande?” Aan de lenzen van hun scoop gekleefd zien ik bekende en onbekende gezichten. Sommigen ingespannen door hun digiscoop turend. Voor een x aantal minuten bega ik hetzelfde: turend door de scoop ontwaar ik deze prachtige nieuwe soort voor Nederland. Want eerlijk is eerlijk, de tekening van deze juveniel gelijkende vogel is prachtig (mijn voorzichtigheid wat betreft kleed komt voort uit het ontbreken van eenduidige informatie hierover)! Eerlijk gezegd had ik me deze Taigastrandloper niet minder taiga-achtig voorgesteld. Zijn kleurenpalet doet me sterk aan dit habitat denken. Het wordt des te leuker als de Taiga vergezeld blijkt te zijn van een Gestreepte Strandloper. Ook een soort die nog nooit door mijn gezichtsvlak was gelopen of gevlogen. Twee vliegen in een klap dus. Ik kan je zeggen: ik heb genoten van dit tweetal!

Naast het kijken naar de betreffende vogelsoort zijn zulke gelegenheden bij uitstek geschikt om eens naar al de gekken om je heen te kijken. Het is snel duidelijk dat ongeveer dezelfde motieven als de mijne hen ook hierheen bracht. De manier van beleving is echter duidelijk verschillend. Meest opvallend is nog wel de vogelaar die angstvallig probeert de vogel te fotograferen, met zijn digiscoop. Niet zozeer de wat oudere man zelf, maar de attributen die hij draagt, brengen mij in een lachbui: hij draagt maar liefst drie verschillende brillen over elkaar heen, en tuurt met deze brillenflat op zijn voorhoofd naar zijn schermpje. Zeer vermakelijk! Zo nu en dan schuift de toren voor zijn ogen, maar ik vraag me sterk af of hij daardoor wel meer zag dan eerst. Misschien kan de man zelf het me ooit nog eens uitleggen, bij de volgende nieuwe taigasoort van Nederland.

Ook vogels kennen massa. Spraakmakende voorbeelden zijn fronten spreeuwen op doortrek van soms wel enkele tienduizenden tot honderdduizenden. En als ik oude trektellers mag geloven staat het record op een front van 8 MILJOEN spreeuwen in een enorme groep, over een telpost nabij Den Haag in de jaren ’80.

Op wat bescheidener schaal speelt zich deze dagen eenzelfde tafereel af. Koperwieken en kramsvogels zijn massaal aangekomen uit Scandinavie, in de nacht van 26 op 27 oktober. En ganzen lijken ook steeds meer binnen te druppelen uit hun Arctische broedgebieden. Eigenlijk allemaal hebben ze wel een beetje binding met de taiga. En allemaal zijn het voorbodes: de winter treedt in het noordelijk halfrond in. En daarom zijn deze fantastische soorten voor mij ‘flagship soorten’ voor hetzelfde gevoel: de noordelijke koude, de vorst en de sneeuw. Want stiekem hopen veel mensen dat aankomende winter net zo koud, of liever nog kouder wordt dan de vorige. En allemaal hopen we stiekem dat we weer massaal het ijs op kunnen.  Ik help het ze graag hopen. Maar nu geniet ik nog met volle teugen van al die aankondigers van de kou.

Anthonie Stip

 

Augustus/September 2009

Hoe warm het was en hoe ver

Augustus zit er weer op, deze column is jammerlijk te laat. Conclusie: we gaan het hebben over september. Neem nou eens de bronst van edelherten in het Alblasserbos. Het had weinig gescheeld, of sinds 1 april 2009 hadden we werkelijk van deze beesten kunnen genieten. Vol van trots en kracht die kletterende geweien kunnen aanhoren, of dat imposante geburl in de vroege ochtendmist beluisteren. Idyllisch, nietwaar? En dat allemaal in die schitterende groene Alblasserwaard! Je zou bijna gaan denken dat je een folder van de Groene Hart Stichting ter hand hebt genomen. De ooievaars ontbreken nog.

September is ook de maand van het kleurende blad. Eigenlijk begint dat pas eind september, maar toch. En september is de maand waarin elke vereniging, stichting of zichzelf respecterende overheidsinstantie weer een contactblad uitgeeft. Nog meer bladeren dus. Maar ik wilde het nu eens niet over dat blad gaan hebben.

Ik sla een boek open. De naam van dat boek doet er even niet toe, dat blijkt snel genoeg. Iedereen die het in de kast heeft staan weet welke titel ik bedoel. Elke rechtgeaarde bezoeker van telpost Kinderdijk snapt dat ik in september dáármee aankom. September is de kriebelmaand. Vele mensen zullen die kriebels associëren met het voorjaar, maar wij, trektellers, krijgen bij aanvang van september ook de kriebels.

Het is namelijk weer zo ver: zoals elk jaar start de najaarstrek van vlinders in september. En daarvoor staan we massaal de lucht af te turen op het smalle asfaltpaadje bij molen 1 van de Overwaard. Voor iedereen verboden toegang, behalve voor trektellers. Als er dan geteld wordt, is de veelgehoorde klacht dat er zoveel afleiding is door gefladder van vogels. Zo kun je je niet eens concentreren op de massale doortrek van koolwitjes, en wat later de atalanta’s. Dan vliegt er weer een wolkje graspiepers door het beeld, waardoor je die kleine vos uit zicht raakt. Irritant is dat.

Ik blader weer verder, want het moge duidelijk zijn dat de voorgaande alinea slechts een brainwave was. “In het najaar trekken naar schatting 7-10 miljoen boerenzwaluwen zichtbaar over Nederland.” Slik! Maar, zo lees ik verder: “Vooral in het najaar heeft een aanzienlijk deel betrekking op lokale verplaatsing van onder meer foeragerende vogels, zeker 20%. De schatting komt daardoor te hoog uit. Het aantal trekkers in het najaar is in de onderzoeksperiode significant afgenomen.” En hier hebben we een fenomeen te pakken wat op Kinderdijk zeker te merken is. De afgelopen weken is er weer heel wat geteld, de trek van vogels welteverstaan. En dan zijn er tientallen boerenzwaluws die net doen of ze met een noodgang op weg zijn naar Afrika, maar ondertussen alleen maar naar polder Blokweer vliegen, en weer terug sjezen. Daar sta je dan: tikker in de hand, oog aan de telescoop. Weer twintig ‘boertjes’ strak naar zuidwest. Maar houd ze in de smiezen, want voor je het weet hangen ze weer kwetterend boven je hoofd. Overigens: heb je je ooit weleens afgevraagd hoe het komt dat zwaluws soms zo laag boven je hoofd vliegen? Nogal wiedes: je hebt lekker bloed, dat weken de muggen heel goed! Die muggen vliegen daarom allemaal rond jouw bolletje, en dat trekt weer zwaluws aan. Geloof je het niet? Probeer het maar eens uit, bij winderig weer.

Ondertussen is de boerenzwaluw wel een vogel die respect afdwingt, zoals zovele anderen meer. De Nederlandse broedvogels verblijven in West-Afrika en het westelijke gedeelte van Midden-Afrika, van november tot en met februari. Daar zijn ze naar op weg, als ze bij ons langs komen scheren. Ik bedoel nu wel de exemplaren die echt doorvliegen. Acrobaatjes met hun vorkstaartjes, altijd vrolijk, zelfs als ze die lange reis aan het maken zijn. En dapper dat ze zijn! Nooit zal ik vergeten hoe ik op een winderige en verregende, kille novembermiddag met een aantal vrienden een boerenzwaluw zag. Gewoon in polder Nieuw Lekkerland, zwoegend tegen de harde westenwind in. De opportunist kwetterde nog even ook. Dat was op 17 november 2004. Rijkelijk laat zou je zeggen. Wie weet waar hij wel niet vandaan kwam, misschien wel uit Midden Zweden, of Zuid Finland. Hij was nog op weg naar Midden-Afrika, had nog vele duizenden kilometers voor de boeg. En hij kwetterde. Dat noem ik nog eens optimistisch! Nicolaas Beets schreef eens in zijn Camera obscura het verhaal Hoe warm het was en hoe ver. Misschien vertelt die boerenzwaluw ons dat ook wel, als hij straks telpost Kinderdijk al kwetterend voorbijvliegt.

Anthonie Stip

 

Juli 2009

Zomerslaapje
"Vogels zijn net mensen. Ze hebben ook slaap nodig."

De lange zomeravonden lenen zich prima voor een kijkje in het geheimzinnige slaapgedrag van vogels. Massale slaapvluchten van spreeuwen of grutto’s zijn juist deze weken merkbaar. Dat zijn dan ook soorten waarvan redelijk wat bekend is over hun slaapgedrag. Maar neem nu een soort als een gierzwaluw. Over deze mysterieuze, bijna overal aanwezige zomervogel is bijzonder weinig bekend. Wij als vogelaars beginnen iets te snappen van hun broedbiologie, hoe ze hun jongen grootbrengen. Maar hun slaapgedrag is een groot raadsel.

Nu doen er de laatste tijd in vogelland verhalen de ronde dat men weet hoe gierzwaluwen slapen: ’s avonds in de schemer verzamelen alle gierzwaluwen zich boven het dorp of de stad waar ze broeden. Al gierend rondjesvliegend verzamelen ze zich. Steeds hoger en hoger cirkelen ze tot ze verdwijnen in de lucht. En dan wordt het stil. Als het stil is, weet je wat er gebeurd is: ze zijn met z’n allen vertrokken richting IJsselmeer. Daar verzamelen alle Noord- Nederlandse gierzwaluwen op grote hoogte boven het water. Ze vliegen dan gezamenlijk een rondje (nou ja, rondje: zo’n 250 km) op enkele kilometers boven het IJsselmeer. Daarna zakken ze weer naar beneden. Tegen de ochtend klimmen ze opnieuw massaal  op tot grote hoogte, om vervolgens te verdwijnen. En dat is hun slaapje. Onderzoekers hebben dit ontdekt door gedetailleerde radarbeelden.[1] Eerlijk is eerlijk, ik vind het knap gevonden. De bioloog of ornitholoog die dit ontdekt heeft, krijgt van mij een pluim. Een piepklein tipje van de gierzwaluwsluier is opgelicht.

Maar er is nog meer te ontdekken in de wereld van de vogelslaap. Er is al een tijdje bekend dat spreeuwen in de zomer het uiterwaardje bij Nieuw Lekkerland, Gors Landhoeve, gebruiken als slaapplaats. Gaande de zomer komen steeds meer spreeuwen naar Nederland toe. Het zijn onder andere ouders met hun jongen  die afkomstig zijn uit Midden Europa, maar ook uit de omgeving van de slaapplaats waar ze slapen. In 2008 werd vastgesteld dat de slaapplaats bij Gors Landhoeve halverwege juli al ongeschikt was. We dachten eerst dat de slaapplaats ‘vol’ was, dat er niet meer genoeg riet was om alle spreeuwen een veilig plekje te geven. Uit blijk van solidariteit verkasten ze daarom allemaal naar een andere slaapplaats, zo was de gedachte.

Sinds een paar dagen weten we meer. Een slaapplaats kan ook ongeschikt raken. Het riet, waarin de spreeuwen slapen, kan zo slecht worden (door zure poep, knakken van de rietstengels) dat ie niet meer geschikt is om te slapen. Ook roofdieren hebben een sterke vinger in de pap. Nog maar heel kort geleden werd de slaapplaats bij Landhoeve geteld. Althans, dat werd geprobeerd. De spreeuwen vlogen rond verzameltijd in kleine groepjes over het gors, richting de Krimpenerwaard. Nu gebeurt dat wel vaker, maar dan komen ze ook een keer terug. En dat was niet het geval. Toen niet veel later de grote groepen spreeuwen kwamen, van enkele honderden bijelkaar, werd het nog merkwaardiger. De vogels vlogen over de slaapplaats heen, draaiden een rondje, en weken plotseling uit naar de Krimpenerwaard. Ze leken ergens van te schrikken.

Daar sta je dan met je goeie gedrag een slaapplaats te tellen die leeg blijft. De oorzaak bleef nog even onbekend. Totdat een donkere schim laag over het riet bewoog: de schaduw van een jagende bruine kiekendief. Die maakte de boel onveilig. De slimmeriken van een spreeuwen hadden dat al na een rondje over de slaapplaats door. Ze waagden zich niet in het gezelschap van de rovers die wel een spreeuwenboutje lusten. Een wijs besluit om dan maar uit te wijken naar een andere slaapplaats.

Ik heb me verbaasd over de doelgerichtheid van de spreeuwen. Hun stekkie bleek bezet door rivalen, en zonder een seconde te twijfelen, wijzigden ze hun koers radicaal. Ze moeten in hun breintje dus meerdere slaapplaatsen in een regio onthouden. Feilloos wordt er koers gezet richting slaapplaats nummer twee. Bedenk dat er vele spreeuwen bij zijn die op tientallen tot honderden kilometers afstand van Nieuw Lekkerland geboren zijn. En ook hier kennen ze de weg, weten ze waar ze eten kunnen halen en ook waar ze kunnen slapen. Ongetwijfeld vertellen ze dat tegen elkaar op z’n ‘spreeuws’ als ze een groot deel van de avond en nacht luid zingend op hun oude vertrouwde rietstengeltje zitten.

Daar krijg je toch geen slaap van!?

Anthonie Stip

[1]Luister het na op  http://vroegevogels.vara.nl/Radio.66.0.html en klik op de uitzending van 28 juni 2009

 

Juni 2009

Vlinders
Het is geen zelfkritiek waarmee ik begin. Maar toch allereerst een vraag: Wat valt er nu te verwachten van een column met zo’n titel? In december zou het niet misstaan om de vuurwerkhype eens te bekritiseren. In april, afijn, dat spreekt voor zich. De eerste trekken van de lente doen immers heel wat met mensen. In mei zou ik er nooit aan beginnen: vlinders als titel. Mei is de vogelmaand bij uitstek. En nu dan? Is het in juni…? Een vogelaar? Juni? Vlinders? Tsjah, dat is een heel verhaal!

Op de een of andere manier is de maand juni elk jaar opnieuw een heel diverse maand. Ligt het accent in mei duidelijk op vogels, in juni komen bij vogelaars de nevenactiviteiten aan bod. De een duikt de planten in, een volgende speurt naar insecten. En weer anderen duiken het water in, voor verkoeling en vakantie. Juni wordt in jargon nogal eens tot begin van de komkommertijd gedegradeerd. Niets is minder waar.

Het moet velen al opgevallen zijn dat er de laatste paar weken opmerkelijk veel vlinders rondvliegen. De meest voorkomende lijken qua grootte en kleuren een beetje op atalanta’s, maar vallen wat valer uit. Het zijn distelvlinders. De distelvlinder is een trekvlinder. Dat wil zeggen dat ze vanuit zuidelijkere streken elk jaar opnieuw noordwaarts trekken. De crux van het verhaal zit hem in het feit dat distelvlinders het ene jaar verder komen dan het andere jaar. En blijkbaar is dit jaar zo’n jaar dat ze werkelijk elke hoek van Europa koloniseren.

Vlinders hebben net zoiets als vogels. De overeenkomsten blijven niet steken in het feit dat beiden de vliegkunst beheersen. Nee, ook vlinders gebruiken hun kleurenpracht om indruk te maken. Op een andere manier, dat wel. Het accent wat ik wil leggen is de aaibaarheidsfactor. Overigens een woord dat sommigen wellicht aan Bokito doet terugdenken. Kent u Bokito nog? Hij die keek, zag en sprong, maar niet overwon. Weer eens wat anders dan wat Julius Ceasar deed: hij die keek, zag en wel overwon, zonder een sprong. Gelukkig zijn vlinders niet zo. Meestal zijn onze fladderaars nogal schuchter. Daarin hebben ze weer overeenkomsten met vogels. En: bepaalde vogelsoorten hebben het voordeel dat ze mensen charmeren. Wie is er immers niet onder de indruk van een ijsvogeltje? Vlinders hebben dat nog sterker. En dan ben ik weer terug bij wat ik wilde noemen: vlinders zijn aaibaarder dan vogels. De pracht van een dagpauwoog, een atalanta of een mannetje van het oranjetipje heeft al velen bekoord. Stuk voor stuk zijn het vlinders die naam maken. Charmekoning is echter de koninginnepage. Wie deze vlinder eenmaal gezien heeft, is verkocht. Verkocht aan de vlinders. Het lijkt er overigens op dat door de distelvlinderinvasie een heel aantal vogelaars geprikkeld worden tot vlinderen. Zelfs zonder het zien van een koninginnepage.

Vlinders zijn aan de andere kant ook lastige beestjes: probeer maar eens een vlinder op z’n plek te laten zitten als je hem fotografeert en toevallig je schaduw over hem of haar heen valt. Ik kan je verzekeren: die blijft niet wachten tot je klikt. Toch, over het algemeen gaat het fotograferen van een vlinder velen beter af dan het kieken van een vogel. Ik moet de eerste grutto, vink of koolmees nog tegenkomen die blijft wachten tot ik op tien centimeter genaderd ben. Eerlijk is eerlijk, ik was zelf ook al lang weg geweest. Maar een vlinder? Die stoort zich, als hij eenmaal prinsheerlijk op een zoet bloemetje of vlinderstruikje zit, aan helemaal niemand.

De vraag die de afgelopen tijd nogal eens gesteld is, is de vraag waar al die distelvlinders nou vandaan komen. Het is immers niet misselijk als honderdduizenden distelvlinders ons landje overspoelen. In Groot Brittannie lopen de schattingen eind mei al uiteen van 10.000.000 tot 50.000.000 exemplaren (echt waar, er staat geen nul teveel!). En dan te bedenken dat de zomer nog beginnen moet, en vele miljoenen eitjes nog maar net gelegd zijn. Maar nogmaals: waar komen ze vandaan? Isotoopbepalingen aan distelvlinders hebben uitgewezen dat de vlinders uit de buurt van het Atlasgebergte in Marokko komen. Ook individuele waarnemingen begin dit voorjaar hebben dat bevestigd. Vele honderdduizenden rupsen op een oppervlakte van een enkele hectare werden gemeld uit het Atlasgebergte. Zijn het geen bikkels, die distelvlinders? Helemaal uit Afrika, met hun een of twee gram gewicht!

Afijn, vandaar dus die vlinders in juni. Het moge duidelijk zijn dat elke distelvlinderwaarneming van harte welkom is. Voer ze dus getrouw in, via waarneming.nl. Ook al zijn het er honderden, uw distelvlinder is een vlinderstruik waard! En voor wie het nog niet begreep: ook vogelaars kunnen vlinder(r)aars worden.

Anthonie Stip

 

Mei 2009

Revolutie
Eigenlijk hoort er deze maand geen column te verschijnen. Het vele veldwerk wat verricht wordt, noopt de vogelaar tot het uitstellen van administratief werk. Later in het seizoen, zeg maar in juli, dan wordt het toch komkommertijd: dan mag het administratieve werk wel komen.

Toch is ‘ie verschenen, deze column. En wel om deze oproep te doen: mocht u niks achter uw pc te zoeken hebben, sluit hem dan af, ga naar buiten en geniet van wat er daar gebeurt. Het is tenslotte volop lente! Vele planten bloeien weer, bomen staan weer volop in blad, en aan vogels, vlinders, amfibieën en zoogdieren geen gebrek!

Schril is het contrast met het andere deel van de werkelijkheid. Er is namelijk een drama geschied. Nee, het zijn er eigenlijk twee. De lange-gras-revolutie heeft weer plaatsgevonden. Er zijn bedrijven geweest waarop de boer in overleg met de vrijwilliger, netjes en ruimschoots om de weidevogelnesten heen gemaaid heeft. Gelukkig zijn ze er! Ik kan niet genoeg benadrukken hoe blij ik ben met het feit dat deze boeren er zijn! Tegelijkertijd zijn er ook bedrijven geweest waarop in hoog tempo het gras, voor de regen, van het land is gehaald. En niet zomaar, nee met moordend materiaal. Gemiddelde maaisnelheid 20 km/h of meer, gemiddelde afmetingen van de opraapwagen 7x3x4 meter. Uitzonderingen daargelaten. Alles wordt plastgewalst. Als zo’n bullebak je passeert op de gewone weg, voel je de grond onder je voeten bewegen, alsof een mol met grof geweld zich onder het wegdek een weg omhoog baant. Het lijkt wel alsof sommigen niet meer beseffen op welke grond er geboerd wordt. Veen. Daar moet je niet met zulk materiaal gaan bulderen. Het is geen Groninger klei, dat bij vele paardenkrachten nog niet meegeeft. Nee, nog steeds is de Alblasserwaard van veen. Reken daar nu eens mee!

Het werk is verzet, op het nippertje. Als de rust is weergekeerd, de trekkers weg zijn, wordt de schade zichtbaar. Van het land van de buurman keren de weidevogels terug. Onwennig. Eerst was daar de afwisseling van vrouwlief en manlief met het bebroeden van het nest. Nu is zelfs de plaats van het nest niet meer herkenbaar. Er rest een kale vlakte, alleen nog maar geschikt voor foerageren. Misschien, als de condities er nog naar zijn, wordt een tweede poging gewaagd. In de hoop dan even met rust gelaten te worden.  Nog triester wordt het, als je bedenkt dat vele grutto’s en andere weidevogels voor het verzorgen van nageslacht enkele duizenden kilometers afleggen. Dit jaar voor niets. Weer voor niets. Hoelang gaat dit nog door?

De tweevoud van het drama hangt met het eerste deel samen: het went. Eigenlijk is dit verhaal niet nieuw. Eigenlijk hebben de meeste mensen dit al veel vaker gehoord. Eigenlijk is dit zo standaard. Eigenlijk kijken we  er niet meer van op. Eigenlijk is dit de teneur, de miserabele staat waarin de Nederlandse weidevogels verkeren. Griezelig als je bedenkt dat de wereldpopulatie van de grutto voor 80% in Nederland broedt. Of eigenlijk: voor 40% jaarlijks door het onder Europese dwang voorrang verlenen van economisch belang voor ecologisch belang mislukken daarvan.

De lange-gras-revolutie, inclusief nasleep is geschied tussen 20 en 25 april 2009. Voor de zoveelste keer.

Ik moest het kwijt…

Met inachtneming van het feit dat het ook anders gebeurt,

Anthonie Stip


April 2009 

Uniek
Het zou niet origineel zijn om deze column te vullen met dingen die algemeen aanvaard zijn, en door iedereen zonder moeite worden geconstateerd. April is bij uitstek de maand om over de lente te schrijven. Ik zie ervan af. Dat wordt overal al breed uitgemeten. Hoe aaibaar, tastbaar, ruikbaar en hoorbaar ook: ik schrijf nu niet over springende lammetjes, bloeiende planten of zingende vogels. Weidevogels laat ik maar even voor wat ze zijn – ze zijn er gelukkig weer, of moet ik zeggen: nog? En neem nou die wilgenkatjes: wie heeft ze niet op de foto gezet de afgelopen weken?

Nee, het gaat mij om wat anders. Als ik zeg dat ze er op de Veluwe anders over denken en spreken dan hier, snapt nog niemand het. Maar het feit dat datgene waar ik aan denk aan de basis staat van het leven, moet wat meer herkenning oproepen. Bij stormachtig weer ziet het er ruwer uit dan bij rustig weer. En een laatste herkenningspunt: in veenweidegebieden is het onmisbaar: water.

Water is heel actueel. Het WereldWaterForum, gehouden in Istanbul, ligt nog maar net achter ons. Water is ook nauw verbonden met natuur. Nog niet zo heel lang geleden deed een term veel stof opwaaien in agrarisch Alblasserwaard: de Natte As. Het was het element water dat de boeren nattigheid deed voelen. Ik snap dat wel. Wie zou het niet moeilijk vinden om zijn levenswerk (deels) te zien worden opgeslokt door nattigheid? Zonder over deze discussie een waardeoordeel uit te spreken, wil ik wel een oproep doen.

Het veenweidelandschap is eeuwen geleden door mensenhanden gemaakt. Onze voorouders hebben het gecultiveerd, en de huidige generaties hebben innovatieve exploitatie mogelijk gemaakt. Openheid is een verworven goed in veenweidegebieden. Pestbosjes, griendjes, houtwallen, tiendwegen en eendenkooien horen thuis in de Alblasserwaard. Laten wij er met elkaar voor zorgen dat ze in het landschap blijven. En laten we het water vooral niet vergeten. Zonder water immers geen veen.

Als we de Alblasserwaard tot haar recht willen laten komen, hoort daar ook een ecologische verbindingszone in thuis. Juist (onder andere) de waardevolle blauwgraslandjes zorgen voor de meerwaarde van het agrarische landschap. Wat aan flora in de gangbare landbouw bij lange na niet meer wordt gevonden, bloeit en groeit nog wel op blauwgraslandjes. (Gaat het stiekem toch nog over de lente!). Waarom ons dus verzetten tegen natuurland? Dat geeft juist perspectief! We willen toch niet dat de Alblasserwaard verwordt tot een grote productiesteppe? Afwisseling in het landschap maakt het aantrekkelijk. Dat zal bij recreanten zeker niet onbekend blijven!

Om dat te illustreren een voorbeeld uit het veld. Vorig jaar mei kwam ik tijdens een schitterende voorjaarsavond een Duits echtpaar tegen. Afkomstig uit de regio Karlsruhe. Een groot deel van de dag hadden ze doorbracht rond de Zijde en de Donkse Laagten. Ze waren geheel onder de indruk van de rust en de stilte die van het landschap uitging, vertelden ze. Hier zag je tenminste nog vogels, bloeiden er schitterende planten. “Bei uns findet man das nur im schwer geschutzte Gebieten!” riepen ze enthousiast uit. Ze wisten niets af van alle lokale problematiek, hadden nog nooit van een Natte As gehoord, maar verwoorden wel de omgeving zoals het was: Het is hier schitterend. Ons als inlanders valt het zo weinig op. Maar we leven wel degelijk in een internationaal uniek gebied. Kortom: de schouders eronder! Met elkaar houden we de Alblasserwaard uniek. Boer en natuur bijten elkaar echt niet!

 

Maart 2009

De andere kant van de medaille

De strijd is gestreden. De modderregen is voorbij. We kennen elkaar weer als we een ontmoeting hebben in het veld. En eindelijk is het gebluf teneinde. De andere kant van de trofee bleek voor sommigen erg zuur. Ze namen het gebroederlijk op, maar ondertussen baalden ze wel: ik heb het over de verliezers van de winter Big Day 2009. Na een sfeerverhaal nu een impressie van de finish.

Het was een groot succes. De eerlijke winnaars moesten genoegen nemen met een halve medaille: er waren namelijk twee winnende teams. Beide zagen tachtig soorten. Tachtig van de drieënnegentig totaal. Een prestatie an sich. De andere teams zagen er respectievelijk zeventig en drieënzeventig. Ook voor hen een pluim voor het uithoudingsvermogen. Ik stel de winnaars aan u voor. Allereerst het grootste team: autorijdend, vierkoppig, scherp als een bos knoflook en een gemiddelde leeftijd van niet meer dan vijfendertig. Eigenlijk gediskwalificeerd vanwege het niet doorbellen van een appelvink. Ze schamen zich er niet om: “Hij zat er al maanden”. Enige nuance: hij was er maanden wel en maanden niet. Net als kraanvogels: ze zijn er nou eenmaal maanden niet en maanden wel. Dus bel je ze niet door. De beslissing is aan de onafhankelijke coördinator, zelf tweede rang verliezer. U raadt het al: die houden het niet lang.

Het andere team: jong en dynamisch, bewegend per fiets. Gemiddelde leeftijd op een peil waar geluk nog heel gewoon is. Trektellers in hart en nieren. Met een portie geluk op vrijdagavond waren ze gedrieën om half tien al op een verjaardag van een familielid van een der teamgenoten te vinden. Aan de koffie met gebak. Ze konden niet verder: alle uilen waren binnen en de nacht was gevallen. Zaterdags opnieuw rustigaan. Op de laatste nipper nog binnen twee minuten sperwer en slechtvalk koppend. En op het gemak naar de eindstreep. Met verbazing aanhorend dat ze gedeeld gewonnen hadden.

Naast winnaars was er ook een verliezende partij. Benzineslurpers, liefhebbers van doodlopende weggetjes of de weg naast de route, maar met goeie optiek op pad. En fanatiek als marathonschaatsers. Tot 00:30 volhouden om een bosuil in de Alblasserwaard te hebben, getuigt van veel vermogen! En dan te bedenken dat ze overal riepen, behalve binnen de grenzen van de Waard. Met dat verhaal maakten ze nogal smaak, omdat andere teams de soort in no time hadden. En vooral die verreden kilometers maken indruk: geen weg is ondoorkruisd achtergelaten. Helaas, ze verkeken zich op het spel. Een warming up noemden ze het naderhand. We gaan het dus nog lastig krijgen de komende Big Days!

Last but not least was daar nog een fietsteam: vierkoppig, energiek, gezond en fanatiek. Uitdruipend op de fiets, zonder telescoop, maar met prachtige soorten. Als enige hadden ze grote zaagbek. De appelvink werd keurig doorgebeld! Niks egoïsme, gewoon doen wat je moet doen. En daarmee de Gouden Oorkonde voor Beschaafd Vogelaarsgedrag winnend. Gefeliciteerd jongens!

Geheel onverwacht is er nog een verliezer. Hij was niet aanwezig op deze Big Day. Ontgoocheld, verbijsterd en verkleumd was hij thuis gebleven. Diep teleurgesteld in de zachte winters van Nederland. Er was geen lol meer aan voor hem. De ijzige kou van de weken voorafgaand aan de Big Day hadden hem verbitterd. De ijsvogel. Niemand kon hem aanstrepen. Niemand zag hem. Niemand hoorde hem. Na januari is hij niet meer gezien. De medaille was gedeeld. Twee winnaars, drie verliezers. We zullen zien hoe de derde verliezer het ervan af brengt.

De lezer moge denken dat de rust na deze weken van onrust is weergekeerd. Niets is echter minder waar. Op de achtergrond speelt een nog veel langere wedstrijd, zich uitstrekkend over het gehele jaar 2009: de Alblasserwaardse Vogel Competitie (AVC). Ongeveer vijftien vogelaars uit de Waard strijden om zoveel mogelijk punten. Die verdienen ze door zoveel mogelijk vogelsoorten te zien. Zeldzame teller daarin zwaarder dan algemene soorten, evenals vroege of late waarnemingen van zomergasten. De medaille voor deze wedstrijd is nog lang niet uitgereikt. Er is dus nog veel te winnen. Met slechts één ding als stimulans: zoveel mogelijk buiten zijn en genieten van de wondere wereld van de vogels.

Anthonie Stip

 

Februari 2009

Trofee

Een verwoed gevecht zonder slachtoffers. Nee, sterker nog: een verpletterende strijd met slechts één doel: het winnen. In een tijdsbestek van minder dan vierentwintig uur wordt hij bereikt. Een afstreeprace. Een wedstrijd. Vogelend Alblasserwaard gaat het nu misschien begrijpen: het gaat om die jarenlange traditie, waarvan we op 6 en 7 februari 2009 in de voetsporen hopen te staan. De Big Day.

Het initiatief daartoe werd in 1999 voor het eerst in praktijk gebracht. In groepen van drie tot vier vogelaars trok men bijna vierentwintig uur lang de Alblasserwaard in, trachtend zoveel mogelijk soorten gevleugelde vrienden te kunnen turven. Niks beleving, puur het scoren. Steevast resulteerde dit in rivaliteit. Voordat een Big Day namelijk had plaatsgevonden, speurden de ‘kampen’ de Waard af op goede plekken voor moeilijke soorten: de zogeheten blockers. Een dag voor een Big Day moest je geen rivaliserende groepsdeelnemer vragen “of hij nog wat leuks gezien heeft”. Je zou er niet meer uitkrijgen dan die o zo lastige huismus Passer domesticus of die bijzonder irritante Vink Fringilla coelebs. Eigenlijk is die vraag hetzelfde als de vraag aan een formateur of de coalitiesamenstelling al bekend is, voordat de verkiezingen zijn gehouden. Je zou geen antwoord krijgen.

Dan maar zonder info van anderen. Hoog gespannen start een team vogelaars dan de bewuste competitie. De notulist heeft het eerste uur gegarandeerd last van een lamme arm. Vogelaars die voor het eerst meedoen denken in dat uur nog: “De honderd soorten moeten we zó hebben!” Daarbij de periode die het woordje zó inhoudt, volledig op verkeerde waarde schattend. Later op de avond (de start is altijd op vrijdagavond, en de wedstrijd loopt door tot zaterdagmiddag) zal blijken dat het wat lastiger was om zover te komen. Misser na misser volgt. Nog steeds geen Baardman! Gelukkig wel een Blauwe Kiekendief! Waar blijft die Ransuil?

Het kan gebeuren dat men tijdens de competitie een ander team tegen het lijf loopt. Het mooiste is om je tegenstanders al te zien voordat ze jouw team gezien hebben. Gezichten bedrukt, gespannen, soms erg blij. Totdat jouw team opduikt. Op aller deelnemers gezicht verschijnt dan een smile. Vooral niet laten merken dat het niet zo voorspoedig gaat. Of juist andersom, dat het wel erg goed gaat. De onmogelijke vraag wordt toch door iemand op de lippen genomen: “En, is het nog wat?”. Kijk bij de beantwoording van die vraag goed naar iemands gezicht. Cruciaal wat er dan verschijnt. Je kunt eraan peilen hoever je achter- of voorloopt. Moed putten uit één blik.

De afloop van een Big Day is telkens verschillend. Toch is één ding altijd aanwezig: spanning. Net voor de eindtijd struint elk team in of rond het Alblasserbos Papendrecht, vlakbij het verzamelpunt in het Streeknatuurcentrum. De laatste soorten worden bijgeschreven. Dan, klokslag heel uur, moet het er van komen: de uitslagen worden bekend gemaakt. De winnende groep in alle staten. De verliezers bijten zich vast in de topsoorten die zij wel hebben en de winnaars niet. Het mooie van een Big Day vind ik toch altijd wel dat iedereen een trofee krijgt. Onze barman Eef vraagt dan steevast: “Aardbei of vanille?” Twijfelend over de kleur van mijn lintje, kies ik snel voor aardbeikleur. Als iedereen een keuze heeft gemaakt komt Eef terug, zijn handen vol met diepgevroren trofee’s. Ik moet zeggen, hij heeft tot nu toe altijd gesmaakt!

Anthonie Stip

 

Januari 2009

Witte paradox

Wanneer de schemer valt over de Alblasserwaardse polders verschijnen uit alle hoeken van de streek slanke witte vogels. Bij donker weer – en dat is het regelmatig in de wintermaanden – zijn ze haast niet te zien: grote zilverreigers. Statig vliegen ze naar hun slaapplaats. Alleen, of vergezeld van reisgenoten. De dag zit er weer op. In de af en toe gakkend gonzende polders hebben ze de hele dag rondgestruind. Soms groepsgewijs. Sinds twee jaar worden ze door vogelaars van de Vogelwerkgroep minstens driemaal per winter geteld op de slaapplaatsen. Laatst – eind december 2008 – konden 106 exemplaren worden vastgesteld op zes slaapplaatsen (met drie nulwaarnemingen): recordveel! Het lijkt de soort voor de wind te gaan.

Ik herinner me nog een paar dagen voor Kerst 2007: zwaar berijpte bomen en stille witte polders. Koukleumend stond daar langs een in ijs verstard slootje een groep van zestien grote zilverreigers. Alsof ze het levende bewijs wilden vormen dat ze ook wel tegen een stootje konden. Daar hebben ze alle reden toe: glorieus wordt de soort regelmatig aangehaald als bewijs van verregaande klimaatverandering. Hoe dat komt? De laatste Elfstedenwinter moeten we zoeken in 1996/1997. Sindsdien zijn alle winters zacht tot zeer zacht verlopen. De grote witte parel kreeg daardoor voet op de niet langer bevroren Nederlandse winterbodem. Snelle uitbreiding als gevolg. In november 2007 werd voor het eerst in de geschiedenis met verve de 1000-grens van op slaapplaatsen aanwezige grote zilvers gepasseerd. Is hiermee het verband tussen klimaat-verandering en de toename van grote zilverreigers verdedigd? Ik raad voorzichtigheid aan: pas op voor het overbekende voorbeeld van ooievaars en baby’s. De comeback van de ooievaar in de jaren negentig ging samen op met de toename van het aantal geboortes in ons land. Maar of die twee wat met elkaar te maken hebben? Ik denk het niet! Hetzelfde geldt voor het duo klimaatverandering en de toename van overwinterende grote zilverreigers. Of daar zo één op één een verband tussen is, valt te betwijfelen.

Met het oog op de komende uitspattingen van Koning Winter rijst wel een vraag: blijft het zilverwit wel zo prominent aanwezig als het wit van Koning Winter langdurig verschijnt? De tijd zal het ons leren. De natuur blijft verrassen, dus wie weet!

Anthonie Stip